Wet bedrag ineens en de scheidingspraktijk

Geplaatst op 14 januari 2021

Op 12 januari is de “Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen” (hierna: “Wet bedrag ineens”)  door de eerste kamer aangenomen.[1] Dat betekent dat pensioengerechtigden ervoor kunnen kiezen om vanaf 1 januari 2023[2] op de pensioeningangsdatum[3] maximaal 10% van het opgebouwde pensioen ineens uit te laten keren. Deze uitbreiding van het keuzerecht bij pensioenen kan tot problemen leiden in situaties waarbij mensen in het verleden gescheiden zijn. Voor professionals die betrokken zijn bij scheidingen is het van belang deze knelpunten op het netvlies te hebben.

In dit artikel wordt uitsluitend ingegaan op het onderdeel van het wetsvoorstel dat ziet op de mogelijkheid om een deel van het pensioen eenmalig uit te keren. Eerst wordt het theoretische kader uiteengezet. Daarna wordt stilgestaan bij de knelpunten die zich in de scheidingspraktijk kunnen manifesteren. Door het lezen van het artikel is uw kennis omtrent dit relevante thema geactualiseerd.

Wet bedrag ineens
Met de introductie van dit nieuwe keuzerecht wordt beoogd pensioengerechtigden op het moment van pensioneren meer flexibiliteit te bieden met betrekking tot de aanwending van het opgebouwde pensioenvermogen. Onder pensioenvermogen wordt in dit kader verstaan pensioenvoorzieningen tussen werkgever en werknemers en lijfrentevoorzieningen. Meer flexibiliteit kan de welvaart van deelnemers vergroten, doordat het pensioen beter kan worden afgestemd op de persoonlijke leefsituatie en bestedingsbehoefte. Uit onderzoek blijkt dat pensioengerechtigden in de beginjaren van hun pensionering hogere uitgaven hebben dan in de jaren daarna. De introductie van dit keuzerecht leidt tot een vergroting van de regie die deelnemers over hun pensioen hebben. Er geldt geen verplicht bestedingsdoel voor de vrijgekomen gelden. Wel gelden er bij gebruikmaking van dit nieuwe recht de volgende voorwaarden:

  • De afkoop mag maximaal 10% van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen betreffen.
  • De gedeeltelijke afkoop dient op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen plaats te vinden.
  • De deelnemer mag alleen gebruik maken van de gedeeltelijke afkoop als er geen gebruik wordt gemaakt van het hoog-laagpensioen.
  • De resterende levenslange pensioenuitkering na de gedeeltelijke afkoop moet boven de afkoopgrens van kleine pensioenen liggen.
  • Een deelnemer kan alleen met toestemming van de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen gebruikmaken van het recht op gedeeltelijke afkoop, indien gebruikmaking hiervan leidt tot een verlaging van het partnerpensioen. Indien gedeeltelijke afkoop uitsluitend ziet op oudedagspensioen, dan is er geen toestemming nodig van de partner.

Voorbeeld
Maarten was gehuwd met Vera. Maarten heeft 30 jaar pensioen opgebouwd op het moment dat hij met pensioen gaat. Het totale opgebouwde oudedagspensioen bedraagt € 20.000 per jaar. Het huwelijk met Vera heeft 15 jaar geduurd. Vera heeft recht op een oudedagspensioen van € 5.000 per jaar. Maarten besluit op de pensioeningangsdatum 10% van het ouderdomspensioen ofwel € 2.000 (10% * 20.000) ineens te laten uitkeren. Dat levert een éénmalige uitkering op van € 32.000. Hiervan komt € 8.000 toe aan Vera. Het jaarlijks uit te keren ouderdomspensioen bedraagt daarna in zijn totaliteit € 18.000 per jaar. Hiervan zal
€ 4.500 per jaar aan Vera toekomen.

Als Maarten kiest voor een uitkering ineens, geldt dat automatisch ook voor van Vera. Maarten heeft, ondanks dat het pensioen deels verevend is, bij het afkopen van 10% van het oudedagspensioen geen toestemming nodig van Vera. De keuze om het pensioen af te kopen ligt dus uitsluitend bij Maarten.

Knelpunten
De knelpunten die zich kunnen manifesteren bij scheidingen bestaan uit de volgende onderdelen:

  • Verhoudingen tussen (ex-)partners
  • Inkomstenbelasting
  • Toeslagen

Verhoudingen tussen partners
Als de scheiding binnen twee jaar is gemeld aan de pensioenuitvoerder keert de pensioen-uitvoerder het verevende pensioen rechtstreeks uit aan de vereveningsgerechtigde. Met betrekking tot de afkoop geldt hetzelfde. De pensioenuitvoerder zal een evenredig deel van de uitkering ineens rechtstreeks uitkeren aan de vereveningsgerechtigde.
Bij scheidingen komt het nog geregeld voor dat dit niet binnen twee jaar na de scheiding wordt doorgegeven aan de pensioenuitvoerder. In dat geval dient de pensioengerechtigde een deel van zijn pensioen te voldoen aan zijn ex echtgenoot. Dat geldt ook bij de afkoop van een deel van het pensioen.
Het zal voor de vereveningsgerechtigde partner lastig zijn om te controleren waar diegene recht op heeft. Dit kan leiden tot discussies en juridische procedures.

Inkomstenbelasting
De uitkering ineens wordt bij de vereveningsgerechtigde belast met inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet. De kans bestaat dat (een deel van) de uitkering ineens in een hoger belastingtarief komt te vallen, waardoor de vereveningsgerechtigde meer belasting verschuldigd is.

Als de vereveningsrechtigde de AOW-gerechtigde leeftijd al heeft bereikt en een laag inkomen heeft, kan het belastingnadeel oplopen tot bijna 20% van het bedrag ineens. Het belastingtarief in de eerste schijf (inkomen tot € 35.130) is 19,20%. In de tweede schijf bedraagt de totale belastingdruk 37,10%.

Voorbeeld:
Vera heeft een belastbaar inkomen van € 35.130, bestaande uit AOW (€ 16.000), pensioen als vereveningsgerechtigde (€ 5.000) en eigen pensioen (€ 14.130). Haar inkomen wordt volledig belast in de eerste schijf (19,20%). Door afkoop van 10% van het ouderdomspensioen, ontvangt Vera eenmalig een bedrag van € 8.000. Daar staat tegenover dat het pensioen dat zij als vereveningsgerechtigde ontvangt met € 500 daalt. Per saldo ontvangt Vera € 7.500 meer. Dit volledige bedrag wordt belast in de tweede schijf: zij is daarover 37,10% inkomstenbelasting verschuldigd. Indien de volledige uitkering via de vereveningsplichtige loopt, kan deze zelf geconfronteerd worden met het feit dat de uitkering in het hoogste tarief belast wordt (49,5%), terwijl de aftrek van het deel dat doorbetaald wordt slechts 37,10% is.[4] Dit houdt verband met de tariefscorrectie.[5]

Voorbeeld:
Maarten heeft een belastbaar inkomen van € 75.000 en valt daarmee in de hoogste belastingschijf. De afkoopsom die hij ontvangt wordt per definitie belast met 49,5%. Indien de scheiding in het verleden niet is doorgegeven aan de pensioenuitvoerder, ontvangt Maarten de volledige afkoopsom van € 32.000. Hierover is hij 49,5% inkomstenbelasting verschuldigd.
Maarten is wel verplicht om € 8.000 door te betalen aan Vera, die hij slechts tegen een tarief van 37,1% mag aftrekken. Het tariefverschil van 12,4% komt dus ten laste van Maarten.

Toeslagen
Door de éénmalige uitkering stijgt het inkomen uit werk en woning en daarmee tevens het verzamelinkomen. Een hoger verzamelinkomen verlaagt het recht op eventuele toeslagen. Specifiek gaat het dan om huurtoeslag en zorgtoeslag. In de praktijk zal het er op neer gaan komen dat toeslaggerechtigden, door het ontvangen van een éénmalige uitkering, een deel van hun toeslagen bij de definitieve vaststelling moeten terugbetalen. Dit kan tot grote financiële problemen leiden.

Een rekenvoorbeeld met betrekking tot huur- en zorgtoeslag
Stel dat Vera alleen AOW (€ 16.000) ontvangt en het pensioen als verveningsgerechtigde (€ 5.000). Haar totale jaarlijkse inkomen is dan gelijk aan € 21.000. Door afkoop van 10% van het ouderdomspensioen, daalt haar toekomstig inkomen als vereveningsgerechtigde van € 5.000 naar € 4.500. Daar staat wel een eenmalige uitkering van € 8.000 tegenover.

Overzicht 1: Gevolgen bedrag ineens voor huur- en zorgtoeslag:

  Geen bedrag ineens Bedrag ineens Na bedrag ineens
AOW-uitkering € 16.000 € 16.000 € 16.000
Pensioen € 5.000 € 4.500 € 4.500
Bedrag ineens nvt € 8.000 nvt
Bruto inkomen € 21.000 € 28.500 € 20.500
Huurtoeslag € 244 per maand € 12 per maand € 259 per maand
Zorgtoeslag € 107 per maand € 31 per maand € 107 per maand

In dit voorbeeld dient de toeslaggerechtigde € 3.696 teveel ontvangen toeslagen terug te betalen (€ 2.784 (huurtoeslag) en € 912 (zorgtoeslag)). De hierboven genoemde financiële consequenties gelden natuurlijk ook voor de vereveningsplichtige, maar dan gekoppeld aan de uitkering die deze ontvangt. Wij gaan er echter vanuit dat deze daarvan vooraf kennis genomen heeft en het dus een bewuste keuze is.

Hoe kunnen bovenstaande problemen opgelost worden?
Vanaf 1 januari 2022 wordt naar alle waarschijnlijkheid de Wet Verdeling Pensioenen ingevoerd. Conversie wordt dan de hoofdregel. Daarmee krijgen ex partners een eigen recht op pensioen. De ex-partner kan derhalve zelf keuzes maken om het pensioen met 10% af te kopen. Bovenstaande problemen zullen zich bij scheidingen van na 1 januari 2022 niet manifesteren.

Tot 1 januari 2022 zullen er naar verwachting nog ruim 30.000 scheidingen plaatsvinden. Deze groep dient geïnformeerd te worden over dit thema. Hierdoor kunnen discussies in de toekomst worden voorkomen.

Als scheidingsprofessional kunt u, in afstemming met uw cliënten, een van deze zinssnedes opnemen in de pensioenparagraaf van het convenant.

  • De man en de vrouw komen overeen dat de vereveningsplichtige partner uitsluitend gebruik kan maken van Wet bedrag ineens[6] na uitdrukkelijke toestemming van de vereveningsgerechtigde partner.
  • De vereveningsplichtige zal bij gebruikmaking van de Wet bedrag ineens de vereveningsgerechtigde, binnen 3 maanden voorafgaande aan de afkoop, informeren over de gevolgen.

Er bestaat daarnaast een grote groep ex-partners die sinds 1 mei 1995 op basis van we wet verevening pensioenen bij scheiding hun pensioen hebben afgewikkeld. Voor hen zijn er globaal twee opties:

  • Alsnog kiezen voor conversie. Dat kan echter alleen als alle betrokken partijen daarmee instemmen, dus zowel vereveningsplichtige als vereveningsgerechtigde én de pensioenuitvoerder.
  • Addendum maken op het echtscheidingsconvenant waarin wordt overeengekomen dat de vereveningsplichtige partner uitsluitend gebruik kan maken van Wet bedrag ineens na uitdrukkelijke toestemming van de vereveningsgerechtigde partner.

Middeling van inkomen
Iedere belastingplichtige heeft het recht om middeling van zijn inkomen aan te vragen.[7] In dat geval wordt het inkomen over drie opeenvolgende jaren gemiddeld en op basis daarvan bepaald hoeveel belasting verschuldigd is. Stel dat de vereveningsgerechtigde al de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt heeft en normaliter in de eerste schijf valt (19,20%). De eenmalige uitkering valt (voor een deel) in de tweede schijf (37,10%), dus betaalt de vereveningsgerechtigde over dat deel bijna 20% extra.

Door bij de belastingdienst om middeling te vragen zou het volledige inkomen weer (gedeeltelijk) in de eerste schijf kunnen vallen en dus onder het lagere belastingtarief. Hierbij is wel van belang te realiseren dat het geld pas boven een drempel van € 545 (niveau 2021) teruggestort wordt: dit bedrag is men dus sowieso kwijt. Bovendien kan middeling pas achteraf aangevraagd worden nadat alle belastingaanslagen die in de middeling betrokken worden definitief zijn vastgesteld.

Huur- en zorgtoeslag kan men niet terugvragen; wel kan het zijn dat in latere jaren een hogere zorg- en/of huurtoeslag verkregen kan worden (zie het eerdere rekenvoorbeeld in overzicht 1).

Conclusie
Voor u als scheidingsbegeleider was het al van belang om partijen te wijzen op alle risico’s die verbonden zijn aan de verdeling van pensioen en daar waar nodig ondersteuning te verlenen om problemen te voorkomen. Door uitbreiding van het keuzerecht per 1 januari 2023 met afkoop van een deel van het ouderdomspensioen, wordt uw verplichting verder uitgebreid.

Omdat vanaf 1 januari 2022 naar alle waarschijnlijkheid conversie de standaard gaat worden, zal de impact voor nieuwe gevallen beperkt zijn. Dat laat onverlet dat er veel oude situaties zijn waarbij is gekozen voor de Wet Verevening Pensioenen bij scheiding. Voor deze doelgroep is uw advies van groot belang. U kunt uw toegevoegde waarde als scheidingsprofessional daarmee nog meer gestalte geven.

Auteurs: Ron van Os, actuaris AG & Drs. J.O. (Jasper) Horsthuis MFP

Publicatiedatum: 14 januari 2021

 

Slotopmerking
Op 12 januari 2021 heeft M.G.H.C. Oomen-Ruijten een motie ingediend. In deze motie wordt de regering verzocht kritisch naar de uitvoeringsproblematiek van de regeling “bedrag ineens” te kijken. Tevens wordt gevraagd om zo nodig aanpassingen te doen om ongewenste effecten te voorkomen, bijvoorbeeld ten aanzien van de huurtoeslag. Mocht deze motie uiteindelijk tot aanpassingen van de regeling leiden dan zullen wij u daarover informeren.

Voor de professional
De Scheidingsdeskundige ondersteunt professionals die betrokken zijn bij het scheidingsproces.
Dat doen wij door middel van opleidingen en praktijkondersteuning.
Wij dragen daarmee bij aan de kwaliteit van scheidingsbegeleiding in Nederland.

Opleidingen        Praktijkondersteuning
 

[1] https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/35555_wet_bedrag_ineens_rvu_en

[2] In het wetsvoorstel was de beoogde ingangsdatum 01-01-2022. Minister Koolmees heeft de Eerste Kamer toegezegd dat de ingangsdatum van het onderdeel “bedrag ineens” met 1 jaar wordt uitgesteld, namelijk van 1 januari 2022 naar 1 januari 2023.

[3] Naast de pensioeningangsdatum is het op basis van het wetsvoorstel ook mogelijk om op 1 februari volgend op het jaar waarin de AOW-leeftijd wordt bereikt het pensioen af te kopen.

[4] 37,10% is het tarief dat van toepassing is vanaf 2023. In 2021 is dat nog 43% en in 2022 40%

[5] Art. 2.10 lid 2 Wet IB 2001

[6] In de overeenkomst dient specifiek verwezen te worden naar “Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen” en dan het onderdeel bedrag ineens.

[7] art. 3.154 Wet IB 2001


© Copyright - De Scheidingsdeskundige