archive pagina

Box 3-compensatie en de gevolgen voor de scheidingspraktijk

HR 24 december 2021, Box 3-compensatie en de gevolgen voor de scheidingspraktijk

Dit artikel is tevens gepubliceerd in EB Tijdschrift voor Scheidingsrecht 2022/63

Auteur: mr. V.A.J. (Vanessa) Vissers van De ScheidingsDeskundige

1. Inleiding
De Hoge Raad oordeelde in het zogenaamde Kerst-arrest dat de spaartaks (oftewel box 3-heffing) in strijd is met het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Hierdoor zal een grote groep belastingplichtigen gecompenseerd gaan worden. Deze compensatieregeling heeft gevolgen voor mensen die gaan scheiden of al gescheiden zijn. De volgende onderdelen van een scheiding worden door de compensatieregeling geraakt:

  • Vermogensafwikkeling
    • Compensatie box 3 heffing
    • Inkomensafhankelijke regelingen
  • Kinder- en partneralimentatie

Scheidingsprofessionals dienen deze problematiek daarom op hun netvlies te hebben.

2. Het wettelijke stelsel van box 3
Het inkomen uit vermogen (bezittingen minus schulden) wordt belast in box 3.[1] Bezittingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit spaargelden, beleggingen of een tweede woning. De belasting (31%[2]) wordt geheven op basis van een fictief rendement over het vermogen op 1 januari van het betreffende belastingjaar (de peildatum). Sinds 2017 wordt het rendement bepaald op basis van de zogenaamde vermogensmix waarbij aansluiting wordt gezocht bij een gemiddelde verdeling van het box 3-vermogen over spaargeld en beleggingen. De daadwerkelijke samenstelling van het vermogen van de belastingplichtige is voor de bepaling van het fictieve fiscale rendement niet relevant. Vermogen tot een bepaalde grens is vrijgesteld van de heffing in box 3. In 2022 bedroeg het heffingsvrije vermogen; € 50.650[3]). Belastingplichtigen met een vermogen onder deze grens worden dus niet geconfronteerd met een box 3-heffing en dus ook niet met de compensatieregeling.

Fiscale partners doen gezamenlijk aangifte inkomstenbelasting waarbij het totale gezamenlijke vermogen van beide partners vrij mag worden toegerekend in de onderlinge verhouding die zij in de aangifte kiezen.[4] Het heffingsvrije vermogen kan daarbij tussen partners worden overgedragen waardoor het totale gezamenlijke vermogen van fiscale partners tot een bedrag van € 101.300 (2 *
€ 50.650) is vrijgesteld.

Schematisch kan de vermogensrendementsheffing in box 3 per belastingplichtige als volgt worden weergegeven[5]:

Belastingplichtigen die hun vermogen hoofdzakelijk op spaarrekeningen hebben staan, hebben de afgelopen jaren nagenoeg geen rendement behaald over dit vermogen. Het forfaitaire rendement op basis van de vermogensmix waar de belasting in box 3 op werd gebaseerd lag aanzienlijk hoger.


Voorbeeld
Een belastingplichtige met spaartegoeden van stel € 500.000 heeft een fiscaal verondersteld rendement van: (€ 50.650 * 1,82%) + (€ 398.700 * 4,37%) = € 922 + € 17.423 = € 18.345. De belasting hierover bedraagt € 18.345 * 31% = € 5.687. Het daadwerkelijk behaalde rendement is echter verwaarloosbaar. Dit knelt en is de kern van de onrechtmatigheid. In een meerjarenperspectief gaat dit om veel geld.


3. De aanloop naar en de gevolgen van HR 24 december 2021
De box 3 heffing leverde de Belastingdienst de afgelopen jaren een stroom aan bezwaarschriften op. Ongeveer 200.000 bezwaarschriften (van 60.000 belastingplichtigen) zijn aangewezen als massaal bezwaar om niet alle bezwaarschriften individueel te hoeven beoordelen. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een procedure bij de Hoge Raad. Op 24 december 2021 besliste de Hoge Raad dat de wijze waarop het vermogen in box 3 wordt belast in strijd is met het eigendomsrecht en dat -kort gezegd- alleen het werkelijke rendement op vermogen mag worden belast.[6]

3.1 Rechtsherstel
Als gevolg van deze uitspraak zal de overheid bepaalde groepen belastingplichtigen herstel bieden voor de door hen in de periode 2017 – 2021 betaalde vermogensrendementsheffing.[7] In eerste instantie gaat dit om de volgende twee groepen belastingplichtigen:

  • de groep van 60.000 bezwaarmakers.
  • de belastingplichtigen waarvan de aanslag inkomstenbelasting over de periode vanaf 2017 nog niet definitief vaststaat. Dit zal met name gaan over de aanslagen van ondernemers die vaak uitstel hebben gevraagd voor het indienen van de aangifte én de aanslagen over 2021. Naar verluidt gaat dit om zo’n 2 miljoen belastingplichtigen.

De compensatie zal forfaitair worden vastgesteld. Daarbij wordt wél gekeken naar de daadwerkelijke samenstelling van het vermogen. Dit forfait leidt ertoe dat met name de belastingplichtigen met vermogen dat volledig of grotendeels uit spaargelden bestaat, zullen worden gecompenseerd. De betreffende belastingplichtigen zullen de compensatie automatisch ontvangen.

Belastingplichtigen die geen bezwaar hebben gemaakt tegen de box 3 heffing hoeven volgens de Hoge Raad niet verplicht te worden gecompenseerd. [8] De overheid gaat bekijken of ze deze groep ook zal gaan compenseren. Uiterlijk met Prinsjesdag zal hier meer duidelijkheid over zijn.

3.2 Toeslagen en heffingskortingen
Indien door de herberekening van het rendement in box 3 het verzamelinkomen van een belastingplichtige daalt in een bepaald jaar, kan dit ook een effect hebben op andere inkomensafhankelijke regelingen.[9] Gedacht kan worden aan het recht op toeslagen en heffingskortingen (meer specifiek de ouderenkorting). Deze regelingen die door de Belastingdienst worden uitgevoerd zullen automatisch worden aangepast als gevolg van de aanslagcorrecties in box 3.

4. Gevolgen voor de scheidingspraktijk
Is de belastingplichtige inmiddels gescheiden en ontvangt deze een compensatie op grond van de box 3-hersteloperatie zoals hiervoor beschreven, dan dient zich de vraag aan of de ex-partner daar deels aanspraak op kan maken. De compensatie zal immers op het niveau van de belastingplichtige vastgesteld worden terwijl de oorspronkelijke onrechtmatige belastingheffing mogelijk niet alleen op die belastingplichtige heeft gedrukt. Dezelfde vraag kan worden gesteld voor een eventueel aanvullend bedrag aan toeslagen dat wordt ontvangen in verband met de correctie van het verzamelinkomen. Voor de beantwoording van deze vragen dient een onderscheid te worden gemaakt tussen fiscale partners die gehuwd waren in gemeenschap van goederen[10] en alle andere fiscale partners.

4.1 Wettelijke gemeenschap van goederen
Indien en voor zover de compensatie ziet op de periode dat de belastingplichtige en zijn ex-partner waren gehuwd in een wettelijke gemeenschap van goederen, dient de compensatie bij helfte te worden gedeeld met de ex-partner.[11] De belastingheffing in box 3 heeft immers gedrukt op de gemeenschap. De compensatie komt daarom ook de gemeenschap toe. Dat de compensatie wordt ontvangen na ontbinding van de gemeenschap doet daar niets aan af. Voor eventueel aanvullend te ontvangen bedragen aan toeslagen geldt hetzelfde.

De operatie van het rechtsherstel in verband met de box 3-heffing vertoont sterke overeenkomsten met de vergoedingen voor ouders in verband met de Toeslagenaffaire. De compensatie in verband met de toeslagenaffaire werd uitbetaald aan degene op wiens naam de toeslagbeschikking was gesteld. Over het verdelen tussen ex-partners van deze compensatie zijn inmiddels diverse procedures gevoerd.[12] De uitkomst in deze procedures is steeds gelijk: ondanks dat de compensatie wordt uitbetaald aan de belastingplichtige, komt de vergoeding toe aan de ontbonden huwelijksgemeenschap. De compensatie ziet immers op de kinderopvangtoeslag van partijen in de periode dat er tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestond en daarmee valt ook de ontvangen compensatie in de gemeenschap. Het feit dat de compensatie ná ontbinding van de gemeenschap is ontvangen is niet relevant voor de rechtbank. De compensatie wordt daarmee door de rechtbank aangemerkt als een nagekomen bate die bij helfte verdeeld dient te worden.

Ondanks het bestaan van een wettelijke gemeenschap dient in voorkomende situaties onderzocht te worden of de belastingplichtige en zijn ex-partner bij de scheiding (schriftelijke) afspraken[13] hebben gemaakt waardoor de compensatie mogelijk toch niet (bij helfte) hoeft te worden gedeeld. Of dat er andere omstandigheden zijn waarbij ondanks het bestaan van een gemeenschap het delen van de compensatie onredelijk zou zijn. Gedacht kan worden aan situaties waarbij een belastingplichtige van de gemeenschap uitgesloten vermogen heeft en de box 3-heffing over dit vermogen uit dit privévermogen heeft betaald. Ondanks het bestaan van de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap heeft in die situatie de belastingheffing immers niet gedrukt op deze gemeenschap. Indien de gemeenschap in die situatie zou hebben bijgedragen aan de fiscale verplichtingen waarvan de draagplicht tot het privé vermogen van de partner met het vermogen behoort, kan gesteld worden dat er vergoedingsrechten zijn ontstaan. Deze dienen in de financiële afwikkeling van de scheiding betrokken te worden. Dit staat los van de compensatieregeling.

4.2 Overige fiscale partners
Bestond er tussen voormalige fiscale partners geen gemeenschap van goederen in de periode die in aanmerking komt voor rechtsherstel, dan is het antwoord op de vraag of de ex-partner recht heeft op een deel van de compensatie sterk afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden van de belastingplichtige en zijn ex-partner. Daarbij dient allereerst beoordeeld te worden of er contractuele afspraken (in een samenlevingscontract of bij huwelijkse voorwaarden) zijn gemaakt op grond waarvan de compensatie gedeeld zal moeten worden. Is er een verplicht wederkerig finaal verrekenbeding waarbij de ex-echtgenoten met elkaar afrekenen alsof zij gehuwd waren in gemeenschap van goederen, dan is de uitwerking gelijk aan hetgeen hiervoor is beschreven bij de wettelijke gemeenschap van goederen. In het geval van een niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding zou gesteld kunnen worden dat de compensatie bij helfte verrekend moet worden met de ex-partner. Belastingheffing over het inkomen en vermogen behoort dan immers tot de kosten van de huishouding, terwijl deze kosten achteraf lager blijken te zijn uitgevallen. Nu de compensatie van invloed is op de grondslag van het te verrekenen vermogen, zou het derhalve niet juist zijn als deze uitsluitend ten goede zou komen aan de belastingplichtige.

Daarnaast kunnen nog andere specifieke feiten en omstandigheden een rol spelen. De volgende vragen zouden aan cliënten kunnen worden gesteld:

  • van wie was het aangegeven vermogen?
  • aan wie is het vermogen toegerekend in de belastingaangifte?
  • door wie werden de belastingaanslagen betaald?
  • behoorden de belastingaanslagen tot de kosten van de huishouding?
  • zijn er in bijvoorbeeld een scheidingsconvenant specifieke afspraken gemaakt met betrekking tot de belastingheffing gedurende het fiscale partnerschap, het jaar van scheiding en de periode daarna?

4.3 Onderhoudsvoorzieningen
Naast de vraag of de ex-partner recht heeft op een deel van de compensatie, kan de vraag opkomen in hoeverre het rechtsherstel in box 3 een eventueel effect heeft op in de periode 2017-2021 vastgestelde onderhoudsvoorzieningen (kinder- en partneralimentatie). In de alimentatieberekening is mogelijk rekening gehouden met een te hoge belastingheffing over het vermogen. Ook bestaat er wellicht een hoger recht op toeslagen omdat het verzamelinkomen door de compensatie wordt verlaagd. Hierdoor is de draagkracht lager vastgesteld. Onderhoudsvoorzieningen zijn hierdoor mogelijk te laag geweest. De compensatieregeling zou een wijziging van omstandigheden kunnen inhouden op grond waarvan om een herziening van de onderhoudsvoorzieningen kan worden verzocht.[14] Een eventuele wijziging zal alleen effect hebben voor de toekomst. Rechters gaan behoedzaam om met hun bevoegdheid om de hoogte van de onderhoudsvoorzieningen met terugwerkende kracht te wijzigen.[15] Bovendien is het onduidelijk hoe de box 3-heffing in de toekomst zal worden vormgegeven. Nadere jurisprudentie zal hierover afgewacht moeten worden.

In de nog lopende (overleg)scheidingen kan in onderling overleg met cliënten rekening worden gehouden met geen of een lagere box 3 heffing.[16]

5. Belang voor de praktijk
De kans dat je in de scheidingspraktijk cliënten tegenkomt die (mogelijk) recht hebben op compensatie is zeer reëel. In een meerjarenperspectief kan het om zeer grote bedragen gaan. In lopende en toekomstige scheidingszaken dient aandacht te worden besteed aan het rechtsherstel in box 3 en de gevolgen daarvan. Dit thema dient expliciet op de agenda gezet te worden als cliënten vermogen hebben boven het heffingsvrije vermogen. Het is in dat kader zorgvuldig om de definitieve aanslagen vanaf 2017 op te vragen alsmede een print van de laatst ingediende aangifte inkomstenbelasting.

Bij de berekening van de onderhoudsvoorzieningen dient er rekening mee te worden gehouden dat de alimentatierekensoftware mogelijk nog niet is aangepast op de herstelwetgeving. Ook is nog niet duidelijk hoe de vermogensrendementsheffing de komende jaren zal worden vormgegeven. In die situatie zal maatwerk moeten worden geboden binnen de mogelijkheden van de software of er al op een later moment een herberekening moeten worden gemaakt. 

Het kan ook voorkomen dat een cliënt die reeds is gescheiden vragen heeft over dit thema. Dit zal zich dan toespitsen op de vraag of de door een van beiden ontvangen compensatie gedeeld dient te worden. Tevens kan om een herziening van de onderhoudsvoorzieningen worden gevraagd. Het verdient de voorkeur dat cliënten vervolgens hierover met elkaar in gesprek gaan en samen tot afspraken komen. Hiermee kan een eventuele juridische procedure worden voorkomen.

Auteur: mr. V.A.J. (Vanessa) Vissers

Vanessa is sinds 2017 werkzaam voor het kenniscentrum van de Scheidingsdeskundige. Zij ondersteunt scheidingsprofessionals en publiceert over fiscale aspecten van het scheidingsproces.

Permanent Actueel
Wil je graag op de hoogte blijven van ontwikkelingen die van belang zijn voor de scheidingspraktijk? En maak je nog geen gebruik van praktijkondersteuning of onze digitale leeromgeving? Vraag dan nu een gratis proefabonnement aan!

 

 

 

[1] Afdeling 5.1 Wet IB 2001.

[2] Tarief 2022.

[3] Voor fiscale partners bedraagt het heffingsvrije vermogen het dubbele van dit bedrag.

[4] Art. 2.17 Wet IB 2001.

[5] Cijfers en tarieven 2022.

[6] Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.

[7] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2022/04/28/kamerbrief-over-rechtsherstel-en-overbruggingswetgeving-box-3

[8] Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:718.

[9] Kamerbrief over rechtsherstel en overbruggingswetgeving box 3 d.d. 28 april 2022 en Kamerbrief regelingen waarop het rechtsherstel box 3 effect heeft d.d. 10 mei 2022.

[10] Waar in dit artikel wordt gesproken over huwelijk/gehuwden/echtgenoten worden tevens geregistreerd partnerschap/geregistreerde partners bedoeld.

[11] Art. 1:100 lid 1 BW.

[12] Rechtbank Den Haag 9 november 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13732 en Rechtbank Den Haag 25 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:9067 (inmiddels bevestigd door het Hof Den Haag op 1 juni 2022, niet gepubliceerd).

[13] Bijvoorbeeld in de fiscale paragraaf van het scheidingsconvenant.

[14] Uiteraard kunnen partijen in onderling overleg ook tot andere afspraken komen.

[15] HR 9 oktober 2009, RFR 2009/132

[16] Zie Split-Online DAP/DAG: nummer 102-112.

Afschaffing FOR en gevolgen voor de scheidende ondernemer

In de Voorjaarsnota 2022 is aangekondigd dat de fiscale ouderdagsreserve (FOR) met ingang van 1 januari 2023 wordt afgeschaft. Dat betekent dat met ingang van die datum de FOR niet verder mag worden opgebouwd. De bestaande reeds opgebouwde FOR mag nog wel op basis van de huidige regels  worden afgewikkeld.

De FOR is een fiscale faciliteit (art. 3.67 tot en met 3.73 Wet IB 2001). Commercieel gezien maakt de FOR onderdeel uit van het eigen vermogen. Het vormen van een FOR levert een liquiditeitsvoordeel op omdat over het bedrag dat wordt gereserveerd geen belasting hoeft te worden betaald. De dotatie aan de reserve wordt fiscaal gezien als een kostenpost. Hierdoor daalt de belastbare winst en daarmee de belastingdruk. Het bijzondere is dat het bedrag aan FOR niet daadwerkelijk opzij hoeft te worden gezet en in de praktijk gebeurt dat vaak ook niet.

De FOR is een belangrijk punt bij de echtscheiding van een ondernemer. De hoogte van de FOR beïnvloedt namelijk de stand van het eigen vermogen van de onderneming. Het eigen vermogen is bij veel scheidingen onderdeel van de waardering van de onderneming. De waarde van de onderneming dient mogelijk in de verdeling of verrekening van het vermogen van de scheidende ondernemer en zijn partner te worden betrokken. De (toekomstige) belastingschuld die aan de FOR is verbonden dient als schuld te worden meegenomen bij het vaststellen van de waarde van de onderneming.

Daarnaast zijn er bij scheiding fiscale consequenties verbonden aan de FOR. In de Wet IB 2001 is bepaald dat het ondernemingsvermogen (voor zover de echtgenoot daar aanspraak op kan maken) geacht wordt vlak vóór de ontbinding van de huwelijksgemeenschap te zijn overgedragen tegen de waarde in het economische verkeer (art. 3.59 lid 1 Wet IB 2001). Door deze fictiebepaling wordt fiscale afrekening afgedwongen. De FOR valt dan vrij en behoort tot de stakingswinst. Bij echtscheiding kan de fiscale claim onder voorwaarden worden doorgeschoven naar de ondernemer of de ex-partner die de onderneming voortzet.

Belang voor de praktijk
Ondanks dat de faciliteit van de FOR wordt afgeschaft kun je in de scheidingspraktijk nog wel worden geconfronteerd met een FOR. Met ingang van 1 januari 2023 mag een reeds bestaande FOR weliswaar niet meer verder worden opgebouwd, maar deze mag nog wel op basis van de huidige regels worden afgewikkeld. Heeft een van beide partners of beide partners bij scheiding een IB-onderneming, dan dient de financiële en fiscale afwikkeling van een eventuele opgebouwde FOR in de afspraken betrokken te worden. Vergeet daarbij niet rekening te houden met een belastinglatentie over de toekomstige belastingclaim in verband met de FOR. In onze syllabus Scheiden & Ondernemers tref je een uitgebreide toelichting op deze fiscale faciliteit en de gevolgen bij scheiding.


 

Opleiding Scheiden en Ondernemers

Een scheiding waarbij een van beide partners ondernemer is, brengt veel complexiteit met zich mee.
De Scheidingsdeskundige heeft daarom een twee daagse opleiding ontwikkeld. In deze praktijkgerichte opleiding komen de belangrijkste deelonderwerpen die samenhangen met scheidende ondernemers aan de orde.
Meer informatie

 

 

Kleine pensioenen, wel of niet verevenen?

Op grond van de Wet Verevening Pensioenen bij Scheiding (WVPS) hoeven “kleine” pensioenen niet verevend te worden. Maar stel dat iemand zes van deze “kleine” pensioenen heeft, is het dan toch niet redelijk om te verevenen? Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden doet uitspraak. 

Inleiding
Man en vrouw gaan scheiden. Zij hebben in hun huwelijkse voorwaarden de volgende afspraak gemaakt: “Bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed worden de door de echtgenoten opgebouwde pensioenaanspraken verevend conform het bepaalde in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Bij die verevening zullen de voor het huwelijk opgebouwde pensioenrechten niet worden betrokken.”

Bij de scheiding hebben ze in het convenant het volgende opgenomen: “Partijen zullen de door de vrouw ten tijde van het huwelijk opgebouwde pensioenrechten verevenen conform de wettelijke standaardregeling”.

De vrouw heeft tijdens het huwelijk zes pensioenaanspraken opgebouwd. Bij de uitvoering van de afspraken uit het echtscheidingsconvenant is gebleken dat het gaat om zogeheten kleine pensioenen die niet hoeven te worden verevend (artikel 3 lid 3 WVPS). Kennelijk waren cliënten hier niet goed over geïnformeerd. Bij elk van deze pensioenen gaat het deel van het pensioen waarop recht op uitbetaling ontstaat het bedrag dat in artikel 66 lid 1 Pensioenwet is genoemd niet te boven. Dat bedrag was in 2018 op het moment van scheiden € 474,11 per pensioenregeling.

Volgens de man dient de vrouw hem de helft van het pensioen te betalen. De som van de zes pensioenregelingen bedraagt € 2.942 per jaar. De man heeft recht op € 1.471. De man heeft voorgesteld de pensioenen in een afwijkende verhouding te verevenen waardoor het te verevenen pensioendeel boven het grensbedrag van de kleine pensioenen komt. De vrouw heeft dit verzoek afgewezen.

De man legt de zaak voor aan de Rechtbank die de vrouw in het gelijk stelt. De man gaat in beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het Hof beantwoordt onder andere de volgende twee vragen:

  • Hoe moet de passage in het echtscheidingsconvenant: “Partijen zullen de door de vrouw ten tijde van het huwelijk opgebouwde pensioenrechten verevenen conform de wettelijke standaardregeling (…)” worden uitgelegd?
  • Vloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voort dat de man en de vrouw ook de kleine pensioenen moeten verevenen, verrekenen of verdelen (artikel 6:248 lid 1 BW)? Is wat partijen hebben afgesproken niet van toepassing omdat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW) ?

Beantwoording Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

De standpunten van de man en de vrouw worden bepaald door de betekenis die zij geven aan de passage “verevenen conform de wettelijke standaardregeling” uit het echtscheidingsconvenant. Het Hof moet bepalen wat de betekenis van die passage is en of de uitleg die de man daaraan geeft moet worden gevolgd. Daarbij geldt de Haviltexmaatstaf: wat de betekenis van de overeenkomst is, is niet alleen afhankelijk van wat er staat, maar ook van wat partijen daaruit redelijkerwijs mochten afleiden.

De tekst van de overeenkomst ondersteunt de uitleg van de man niet, wel die van de vrouw. De wettelijke regeling waarnaar de man en de vrouw uitdrukkelijk verwijzen is die van de WVPS. Onderdeel van die wettelijke regeling is dat kleine pensioenen niet worden verevend (artikel 3 lid 3 WVPS) .

Dan rest de vraag of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de man en de vrouw ook de kleine pensioenen van de vrouw moeten verevenen, verrekenen of verdelen op grond van de redelijkheid en billijkheid. De man bepleit dat de eisen van de redelijkheid en billijkheid in dit geval meebrengen dat die kleine pensioenen toch moeten worden verevend, verrekend of verdeeld. Hij voert daarvoor twee argumenten aan: (1) ‘vele kleintjes maken één grote’ en (2) de vrouw wist bij het aangaan van het echtscheidingsconvenant niet dat kleine pensioenen niet hoefden te worden verevend en heeft dat pas achteraf bedacht en zich achter de wet verscholen.

De twee argumenten van de man zijn volgens het Hof onvoldoende om te oordelen dat de eisen van de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat weliswaar niet volgens de WVPS hoeft te worden verevend, noch dat de pensioenaanspraken van de vrouw moeten worden verrekend of verdeeld.

Belang voor de praktijk

Bij veel scheidingen wordt aangesloten bij de standaard wettelijke regeling van pensioenverevening. Kleine pensioenen vallen niet onder het bereik van deze regeling. Dat kan leiden tot een onrechtvaardige situatie. In deze casus behoudt de vrouw het volledige recht op haar zes “kleine” pensioenen die opgeteld toch een relevante voorziening vormen. Het pensioen van de man dat boven het grensbedrag valt dient wel verevend te worden. Dat knelt.

Deze onrechtvaardigheid kan in veel gevallen weggenomen worden door de andere pensioenen op een afwijkende manier te verevenen. Het pensioenrecht van diegene die geen recht heeft op het kleine pensioen kan bijvoorbeeld in een afwijkende verhouding verevend worden. Ook kan gekozen worden voor verrekening van pensioen met ander vermogen.

In onze modelconvenanten wordt standaard aandacht besteed aan de kleine pensioenen. Het volgende is daarover opgenomen:

Gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 3 Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (kleine pensioenen) komen de in dit artikel genoemde rechten onder @ en @ niet in aanmerking voor de hierna overeengekomen afspraken, die betrekking hebben op de in dit artikellid genoemde aanspraken.

Dit helpt jou bij een zorgvuldige vastlegging van de pensioenafspraken.

 


Permanent Actueel
Wil je graag op de hoogte blijven van ontwikkelingen die van belang zijn voor de scheidingspraktijk en onze artikelen wekelijks lezen? En maak je nog geen gebruik van praktijkondersteuning of onze digitale leeromgeving? Vraag dan nu een gratis proefabonnement aan!

 

 

 

 

Uitsluiting partneralimentatie in huwelijkse voorwaarden toch mogelijk?

De Advocaat Generaal (AG) heeft op 18 mei cassatie in het belang der wet ingesteld over de vraag of aanstaande echtgenoten het recht op partneralimentatie voorafgaand aan het huwelijk bij huwelijkse voorwaarden kunnen uitsluiten. Wordt uitsluiting van partneralimentatie in huwelijkse voorwaarden nu toch mogelijk?

De afgelopen jaren is het in de rechtspraak de lijn geweest dat het voorafgaand aan het huwelijk uitsluiten van partneralimentatie bij huwelijkse voorwaarden op grond van de wet nietig is. Wel kan het zo zijn dat het beroep op de nietigheid onder bijzondere omstandigheden in strijd kan zijn met de redelijkheid en billijkheid. Ook in de literatuur bestaat discussie over dit onderwerp. Om helderheid te krijgen of een in huwelijkse voorwaarden opgenomen nihilbeding ten aanzien van partneralimentatie stand houdt, heeft de AG cassatie in het belang der wet ingesteld en haar conclusie hierover uiteengezet. Wij vatten de essentie graag voor je samen:

Conclusie van de AG
De AG concludeert huwelijkse voorwaarden waarin wordt afgezien van partneralimentatie op dat onderdeel rechtsgeldig zijn. Volgens de AG heeft de wetgever de contractvrijheid van echtgenoten ten aanzien van partneralimentatie voorop willen stellen. Met de mogelijkheid van uitsluiting van het recht op partneralimentatie voorafgaand aan het huwelijk wordt volgens haar ook geen ander type huwelijk geïntroduceerd, gezien de nu al bestaande mogelijkheden voor (aanstaande) echtgenoten om op het vlak van onder andere het huwelijksvermogensregime en pensioen ervoor te kiezen deze voorafgaand aan het huwelijk te regelen. Overigens vindt de AG wel dat een nihilbeding in een voorhuwelijkse alimentatieovereenkomst niet onaantastbaar is. Dat betekent dat in specifieke situaties een dergelijk nihilbeding mogelijk geen stand houdt. Onder bijzondere omstandigheden kunnen partijen de rechter op grond van de wet verzoeken het nihilbeding open te breken.

Belang voor de praktijk
Hoewel niet zeker, licht het in de lijn der verwachting dat de Hoge Raad de conclusie van de AG zal volgen. In elk geval blijkt nu extra duidelijk dat er momenteel onzekerheid bestaat over de rechtskracht van een nihilbeding ten aanzien van partneralimentatie voorafgaand aan het huwelijk. Notarissen zullen daarom bij het opstellen van huwelijkse voorwaarden partijen zorgvuldig over deze onzekerheid moeten informeren. Scheidingsprofessionals zullen met cliënten die in hun huwelijkse voorwaarden afspraken hebben gemaakt om van partneralimentatie af te zien, moeten bespreken dat onzeker is of deze afspraken juridisch stand houden.
Gelukkig is nu zicht op einde aan de onzekerheid: de uitspraak van de Hoge Raad is voorlopig bepaald op 25 november 2022. De Scheidingsdeskundige houdt jou uiteraard op de hoogte.

Voor de lezer die zijn juridische kennis nog wil bijspijkeren geven wij als toegift nog een korte toelichting over de organisatie van de Hoge Raad en wat cassatie in belang der wet inhoudt:

Parket van de Hoge Raad
Aan de Hoge Raad is een parket (kantoor) verbonden waarvan de advocaten-generaal (AG’s) deel uitmaken en waar de procureur-Generaal aan het hoofd staat. De procureur-generaal geeft juridische adviezen, ofwel conclusies, aan de Hoge Raad. In de praktijk worden deze conclusies meestal door de advocaten-generaal namens de procureur-generaal genomen. De advocaten-generaal dragen daarbij zelfstandig verantwoordelijkheid voor de inhoud van hun conclusies.

Cassatie
Zoals je in dit artikel kon lezen is de functie van cassatierechtspraak dat rechtseenheid blijft geborgd en de rechtsontwikkeling worden bevorderd. Tevens betekent in cassatie gaan in beroep gaan bij de Hoge Raad tegen een beslissing van een lagere rechter. Daarbij kunnen geen nieuwe argumenten worden ingebracht, er wordt getoetst of het recht goed is toegepast. Cassatie is er om fouten te herstellen, dit biedt degene die in cassatie gaat rechtsbescherming.

Cassatie in het belang der wet
Door een vordering tot cassatie in te stellen, kan de procureur-generaal (of namens deze één van de AG’s) om een beslissing van de Hoge Raad vragen over een rechtsvraag die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling moet worden beantwoord. Bijvoorbeeld als partijen zelf geen cassatieberoep bij de Hoge Raad instellen of als er geen cassatie beroep mogelijk is. Deze beslissing van de Hoge Raad heeft geen rechtsgevolgen voor de betrokken partijen en is in deze gevallen alleen bedoeld om duidelijkheid te geven voor toekomstige gevallen.

 

Permanent Actueel
Wil je graag op de hoogte blijven van ontwikkelingen die van belang zijn voor de scheidingspraktijk? En maak je nog geen gebruik van praktijkondersteuning of onze digitale leeromgeving? Vraag dan nu een gratis proefabonnement aan!

 

 

 

Beroepsaansprakelijkheid bij pensioenafwikkeling, een reëel risico!

Hof Arhem Leeuwarden 29 maart 2022

Een voormalig cliënt stelt zijn advocaat aansprakelijk omdat zij hem onvoldoende heeft voorgelicht over een vervaltermijn in de huwelijkse voorwaarden met betrekking tot pensioenafwikkeling. De advocaat wordt veroordeeld tot betaling van de geleden en de nog te lijden schade.

Feiten & omstandigheden

In 2012 heeft een advocaat een man bijgestaan in een echtscheidingsprocedure. De man was gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. In het artikel over pensioen was de volgende veelvoorkomende bepaling opgenomen:

“1. Indien het huwelijk van de echtgenoten door echtscheiding wordt ontbonden danwel indien tussen de echtgenoten de scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, zullen de door de echtgenoten opgebouwde pensioenaanspraken worden verevend conform het in de artikelen 2 en 3 bepaalde Wet Verevening pensioenrechten bij scheiding.

 2. Indien het huwelijk door echtscheiding is ontbonden, heeft de vereveningsgerechtigde het recht zijn aanspraken als bedoeld in lid 1 alsmede de aanspraken op nabestaandenpensioen om te zetten in een eigen pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 5 van de Wet Verevening pensioenrechten bij scheiding, mits de vereveningsgerechtigde binnen 6 maanden na de ontbinding van het huwelijk per aangetekende brief heeft meegedeeld aan de vereveningsplichtige van dit recht tot omzetting gebruik te maken. De omzetting is slechts geldig, indien de betrokken pensioenuitvoerder (s) schriftelijk heeft/hebben verklaard hiermee in te stemmen. De echtgenoten geven elkaar over en weer een onherroepelijke volmacht om na de totstandkoming van de echtscheiding alle handelingen te verrichten teneinde te bewerkstelligen, dat de vereveningsgerechtigde een eigen aanspraak zal krijgen.”

Deze regeling houdt in dat de vereveningsgerechtigde partner, als de pensioenuitvoerder daar aan meewerkt, kan kiezen voor conversie. De man heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid en is met zijn ex-echtgenote overeengekomen de pensioenen op basis van de wettelijke regeling te verevenen. De man neemt het de advocaat kwalijk dat hij niet is gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van het recht op conversie. Ook is hij er niet op gewezen dat dit recht zou komen te vervallen als er niet binnen 6 maanden na ontbinding van het huwelijk een beroep op is gedaan.
Volgens de man is de advocaat tekortgeschoten en heeft zij niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat verwacht mocht worden. Hierdoor heeft de man schade geleden.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden overweegt en beslist

Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht dat zij haar client deugdelijk voorlicht over zijn rechten en plichten en wijst op contractuele vervaltermijnen. Het hof is van oordeel dat zij de man in beginsel had moeten wijzen op, en adviseren over de conversiebepaling en de genoemde vervaltermijn. Zeker omdat de man zes jaar ouder is dan zijn echtgenoot. Bij conversie zou de man zelf kunnen bepalen wanneer zijn pensioen ingaat. Omdat dit recht is komen te vervallen zal de man in de periode van zes jaar na het bereiken van zijn pensioengerechtigde leeftijd geen aanspraak kunnen maken op een deel van het pensioen van zijn ex-echtgenote. Hierdoor lijdt de man schade.

De advocaat wordt veroordeeld tot het betalen van de door de man geleden en nog te lijden schade.

Belang voor de praktijk

Ongeacht de vraag tot welke beroepsgroep je behoort, dien je jouw cliënten zorgvuldig te begeleiden bij de afwikkeling van het pensioen. Afspraken hierover in huwelijkse voorwaarden dienen bij de scheiding betrokken te worden. Cliënten dienen hierover voorgelicht te worden. Als er geen huwelijkse voorwaarden zijn, dan dienen cliënten goed geïnformeerd te worden over de wettelijke regeling en de mogelijke alternatieven. Hierbij kan gedacht worden aan:

  • Afwijkende periode van verevening
  • Afwijkende vereveningspercentages
  • Conversie
  • Et cetera

Uit deze procedure blijkt dat een scheidingsprofessional tekort schiet op het moment dat onvoldoende aandacht wordt geschonken aan de mogelijkheid ten aanzien van pensioenafwikkeling. 

Tips

  • In huwelijkse voorwaarden is meestal een afspraak opgenomen over pensioenafwikkeling. Besteed ook aandacht aan deze afspraken. Betrek hierbij ook eventuele vervaltermijnen.
  • Wees volledig. Informeer cliënten over de wettelijke kaders van pensioenafwikkeling en over alle alternatieven.

Bronnen:

 

Opleiding tot Financieel Echtscheidingsadviseur (RFEA)

Wil je jouw kennis ten aanzien van belangrijke deelgebieden van het scheidingsproces (juridisch, financieel en fiscaal) naar een hoger niveau brengen? Wil je zelfstandig jouw cliënten kunnen informeren of adviseren over veel voorkomende knelpunten?

Neem dan deel aan de leergang Register Financieel Echtscheidingsadviseur (RFEA) en wordt in toenemende mate gesprekspartner voor jouw cliënten en andere scheidingsprofessionals.

 

 

 

Wet Pensioenverdeling bij scheiding uitgesteld tot 2027

Tot voor kort was bekend dat de Wet Pensioenverdeling bij scheiding op 1 juli 2022 zou ingaan. Ondanks dat iedereen wel wist dat dat niet haalbaar zou zijn is de termijn nu wel heel ver naar de toekomst verschoven.

Recentelijk heeft de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen de Tweede Kamer geïnformeerd over haar voornemen om de inwerkingtreding van de Wet Pensioenverdeling op te schuiven naar 1 januari 2027.

Hiervoor zijn twee argumenten:
Ten eerste kunnen pensioenuitvoerders hierdoor in de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel alvast rekening houden met de aanpassingen die volgen uit het wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding.
Ten tweede voorkomt uitstel dat pensioenuitvoerders kort na elkaar twee ingrijpende (ICT-) wijzigingen moeten doorvoeren.

Omdat door het uitstel volgens de Minister goede elementen van de nieuwe wet pas in 2027 in werking zullen treden, is zij voornemens om enkele overbruggingsmaatregelen te introduceren. Over deze voornemens is zij thans met de sector in overleg. De kamer zal hierover later worden geïnformeerd.

De Scheidingsdeskundige zal uiteraard de ontwikkelingen rond de inwerkingtreding van deze wet blijven volgen.

Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Wij hebben de perfecte oplossing: ons leerplatform Pernament Actueel! Kijk voor meer info:

https://www.descheidingsdeskundige.nl/permanent-actueel/).

© Copyright - De Scheidingsdeskundige