18 maart 2025
Het komt geregeld voor; partners die samen een hypothecaire geldlening afsluiten en het geld investeren in de woning die eigendom is van één van beide. Hoe zit het dan bij een relatiebeëindiging? Geldt dan het bekende devies “Schuld volgt bezit”? De Rechtbank Zeeland West Brabant komt tot een interessant oordeel!
Het komt geregeld voor; partners die samen een hypothecaire geldlening afsluiten en het geld investeren in de woning die eigendom is van één van beide. Hoe zit het dan bij een relatiebeëindiging? Geldt dan het bekende devies “Schuld volgt bezit”? De Rechtbank Zeeland West Brabant komt tot een interessant oordeel!
Inleiding - Theoretisch kader
In 1978 zijn Maik en Veronique gehuwd onder het sluiten van huwelijkse voorwaarden. Deze voorwaarden bevatten de volgende relevante bepalingen:
Tot het vermogen van de vrouw behoort een woning.
Voor een verbouwing sluiten Maik en Veronique op 19 maart 1979 een hypothecaire lening voor een bedrag van fl 75.000. Deze hypothecaire lening is door Maik en Veronique op verschillende momenten overgesloten voor aanvullende verbouwingen en verbeteringen aan de woning:
Maik en Veronique gaan uit elkaar en krijgen discussie over de vraag wie de geldschuld voor zijn of haar rekening moet nemen.
Zienswijze Maik
Maik is van mening dat de schuld volledig voor rekening van Veronique moet komen. Hij heeft daarvoor de volgende argumenten:
Zienswijze Veronique
Veronique is van mening dat de schuld door haar en door Maik voor de helft gedragen moet worden. Concreet verzoekt zij Maik € 72.500 aan haar te betalen op het moment dat het hoofdelijk ontslag is geregeld. Zij onderbouwd haar zienswijze met de volgende argumenten:
De rechtbank overweegt
De vraag in welke verhouding Maik en Veronique de schuld in hun onderlinge verhouding aangaat (draagplicht) wordt beantwoord door te kijken naar de volgende algemene criteria:
In dit geval hebben Maik en Veronique een afspraak gemaakt in de huwelijkse voorwaarden. Die afspraak houdt in dat de schulden welke gedurende het huwelijk zijn gemaakt voor rekening komen van diegene die de schuld is aangegaan. Veronique was al eigenaar van de woning voordat het huwelijk plaatsvond en in dat licht zijn de huwelijkse voorwaarden opgesteld. Binnen een jaar na het sluiten van het huwelijk is de hypotheek aangegaan. Er zijn toen maar ook later geen afspraken gemaakt waarin Maik en Veronique hiervan zijn afgeweken. De afspraken worden niet opzij gezet door een beroep op de redelijkheid en billijkheid door Maik. Ook zijn er volgens de rechtbank door Maik onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die zijn stelling ten aanzien van ongerechtvaardigde verrijking onderbouwen.
De rechtbank concludeert dat Maik de helft van de hypothecaire geldlening dient te dragen en daardoor € 72.500 aan Veronique dient te betalen nadat hij is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.
Belang voor de praktijk
Bij schulden dient altijd onderscheid gemaakt te worden tussen aansprakelijkheid en draagplicht. We lichten deze begrippen nog even kort toe:
Aansprakelijkheid
Aansprakelijkheid met betrekking tot een schuld ontstaat doordat de schuldenaar een geldlening aangaat bij een schuldeiser. Ook kan aansprakelijkheid ontstaan als de wetgever dit bepaalt. Voor schulden met betrekking tot de normale gang van de huishouding, zijn beide echtgenoten hoofdelijk aansprakelijk.[1] Het maakt dan niet uit welke partner de schuld is aangegaan. Ook kan een echtgenoot bij ontbinding van een gemeenschap aansprakelijk worden voor een gemeenschapsschuld waarvoor hij voordien niet aansprakelijk was.[2] Indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, heeft de schuldeiser tegenover ieder van hen recht op nakoming van het geheel.[3]
Draagplicht
Bij draagplicht gaat het om de vraag wie uiteindelijk de schuld voor zijn rekening moet nemen. Als de relatie door een scheiding tot een einde komt, kunnen partners andere verwachtingen hebben over wie de schuld na de ontbinding van de relatie moet dragen. Op het moment dat een schuld tot een gemeenschap van goederen of een beperkte gemeenschap behoort, hebben beide deelgenoten na ontbinding van deze gemeenschap op basis van de hoofdregel een gelijke draagplicht ten aanzien van deze schuld.[4] In deze casus was er geen sprake van een huwelijksvermogensrechtelijk gemeenschap. Het beroep van Veronique op een verdeling bij helfte op grond van art. 1:100 BW is daarom onjuist.
In situaties zoals deze, waarbij partners zonder een huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap een schuld aangaan is het vaststellen van de interne draagplicht ten aanzien van de gezamenlijk aangegane schuld ingewikkelder. Er zijn, zoals de rechtbank Zeeland toelicht, geen algemene regels waarmee de interne draagplicht kan worden vastgesteld. De interne draagplicht hangt af van wat partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend intern met elkaar zijn overeengekomen, met inachtneming van de Haviltex-formule.[5] Hierbij kan het ook relevant zijn in hoeverre de tegenprestatie van de schuld ieder van de deelgenoten ten goede is gekomen.[6] Met andere woorden de vraag wie draagplichtig is voor een schuld, wordt beantwoord door te kijken naar wat partners daarover zijn overeengekomen. Zijn zij niets overeengekomen dan wordt gekeken naar de Haviltex-formule.
Haviltex-formule[7]
Sinds het Haviltex-arrest werd duidelijk dat bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst het niet genoeg is om enkel naar de taalkundige betekenis van de tekst te kijken. Er dient ook gekeken te worden welke betekenis partijen aan de tekst gaven en wat ze over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en kan acht worden geslagen op het feitelijk handelen van partijen. De Haviltex-maatstaf geldt ook bij beantwoording van de vraag of afspraken (kunnen worden geacht te) zijn gewijzigd.[8] De Haviltex-maatstaf wordt ook toegepast voor de uitleg van mondelinge overeenkomsten.[9]
In veel gevallen hebben partners geen (schriftelijke) afspraken gemaakt omtrent de interne draagplicht van de gezamenlijk aangegane schuld. Bij de afwikkeling van een scheiding zal moeten worden gekeken naar wat partijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De uitleg zal per situatie verschillen. Als cliënten er samen niet uitkomen dan zal een rechtbank maatwerk leveren. Dit maakt discussies tussen ex-partners over interne draagplicht een ingewikkelde kwestie. Het kan vanwege het Haviltex-criterium immers meerdere kanten op.
Rechtvaardigheid?
We kunnen het ons voorstellen dat de uitkomst van deze zaak, waarbij de man de helft van de schuld moet dragen terwijl de woning onderdeel is van het vermogen van de vrouw, mogelijk wat onrechtvaardig voor je voelt. Misschien ben je het wel niet eens met deze uitspraak.
Stel je voor dat de Maik in dit geval steeds de initiatief nemer was voor de verbouwingen en dat de investeringen bestonden uit een zwembad en andere geringe waarde toevoegende elementen. Zou de uitspraak van de rechtbank dan nog steeds onrechtvaardig voelen?
Interne draagplicht is geen exacte wetenschap. Het bekende devies “Schuld volgt bezit” geldt dus niet altijd. Hopelijk hebben jouw relaties afspraken gemaakt en vastgelegd. Is dat niet het geval dan kunnen cliënten door bemiddeling tot een afspraak komen. Hun afspraak kan dan in een vaststellingsovereenkomst worden opgenomen. Een vaststellingsovereenkomst is een overeenkomst waarbij partijen een bindende regeling treffen in een situatie waarbij er onzekerheid of een geschil is over hetgeen rechtens geldt. Deze overeenkomst geldt ook als blijkt dat de rechtstoestand af blijkt te wijken.
Lukt dat niet dan zal een rechter aan de hand van de specifieke casus zijn oordeel geven.
De Scheidingsdeskundige biedt diverse (verdiepende) opleidingen ten aanzien van dit thema, zoals:
Leergang Financieel Relatieadviseur
Scheiden en de eigen woning
Bekijk onze website voor het volledige opleidingsaanbod!
[1] Art. 1:85 BW
[2] Art. 1:102 BW
[3] Art. 6:7 lid 1 BW
[4] Art. 1:100 BW
[5] HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9539
[6] Parl. Gesch. Boek 6 (algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, p. 108)
[7] HR 13-03-1981, ECLI:NL:PHR:1981:AG4158
[8] vgl. HR 2 september 2011, LJN BQ3876, NJ 2012/75
[9] HR 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6319
Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.