Lijfrentevoorzieningen en scheiden, een praktische toelichting in 2024

7 mei 2024

Lijfrentevoorzieningen en scheiden, een praktische toelichting in 2024

Als ouders na een scheiding een gelijkwaardige zorgverdeling overeenkomen maar geen overeenstemming kunnen bereiken over waar het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, kunnen financiële argumenten dan doorslaggevend zijn? Hof Den Bosch geeft duidelijkheid. 

Het volledige artikel is beschikbaar via Permanent Actueel 

🗞️ Wekelijks delen wij door ons geselecteerde relevante ontwikkelingen of verdieping. Wij vatten de essentie voor je samen en vertalen dit naar jouw praktijk. Ieder artikel bevat bronnen voor als je verder wilt lezen. Ook krijg je tips. Een artikel sluit af met een prikkelende stelling of vraag. Op die manier maken we het bijhouden van kennis efficiënt, inspirerend en praktijkgericht!

💡 Nog geen abonnement? Ervaar nu zelf het gemak van Permanent Actueel met een gratis proefabonnement en blijf eenvoudig up-to-date over ontwikkelingen in de scheidingspraktijk: Lees het gehele artikel met een gratis proefabonnement!


➡️ De Scheidingsdeskundige is een een kennis- en opleidingscentrum voor professionals die betrokken zijn bij het scheidingsproces. Wij hebben maar 1 doel: Het verbeteren van de kwaliteit van scheidingsbegeleiding in Nederland! 


Vind je dit artikel interessant voor jouw collega of netwerk?
Deel dit dan via onderstaande link:


Dit artikel is tevens gepubliceerd in het REP 2024/3
Auteur:  drs. J.O. (Jasper) Horsthuis MFP RES van de Scheidingsdeskundige

Bij inwerkingtreding van de Wet Toekomst Pensioenen is de mogelijkheid om vermogen op te bouwen in de vorm van een lijfrentevoorziening sterk verruimd. Reguliere pensioenvoorzieningen tussen werkgevers en werknemers worden al jaren versoberd. Veel mensen hebben daarom een lijfrentevoorziening afgesloten om het inkomen vanaf pensionering aan te vullen. In de scheidingspraktijk verdienen deze voorzieningen, vanwege fiscale spelregels, extra aandacht. Door verkeerde keuzes kunnen cliënten geconfronteerd worden met grote onverwachtse fiscale claims. Als professional kun je jouw cliënten hiervoor behoeden. Dit artikel biedt een praktische handleiding voor de afwikkeling van lijfrentevoorzieningen bij relatiebeëindiging.

In dit artikel wordt eerst ingegaan op de lijfrente als oudedagsvoorziening en de fiscale behandeling hiervan in zijn algemeenheid. Vervolgens wordt de lijfrente in de context van de afwikkeling van een scheiding geplaatst. Hierbij komen de verschillende keuzes die cliënten kunnen maken aan de orde. Ook wordt uitgebreid stilgestaan bij de fiscale aandachtspunten en risico’s.

Lijfrente algemeen
Lijfrentevoorzieningen worden opgebouwd met als doel het toekomstig inkomen vanaf pensionering aan te vullen. De behoefte aan aanvullend inkomen hangt vaak samen met een pensioentekort. Van een pensioentekort is sprake als iemand minder pensioen opbouwt dan zijn gewenste inkomen vanaf het moment van pensioneren. Een pensioentekort kan op allerlei manieren ontstaan:

  • Een client werkt bij een werkgever die geen pensioenregeling aanbiedt.
  • Een client neemt deel aan een pensioenregeling die onvoldoende is om het gewenste inkomen te bereiken.
  • Een client bouwt niet over het volledige salaris pensioen op.
  • Een client heeft een auto van de zaak en bouwt over deze “inkomsten” geen pensioen op.
  • Een client is ZZP'er en bouwt geen pensioen op bij een werkgever.
  • Een client heeft in het buitenland gewoond en heeft geen AOW opgebouwd.
  • Een client heeft tijdelijk geen pensioen opgebouwd door een sabbatical of werkloosheid.
  • Et cetera

Lijfrentevoorzieningen kun je tegenkomen in de vorm van een kapitaal- of beleggingsverzekering[1] of in de vorm van een spaar- of beleggingsrekening.[2][3] Deze financiële producten hebben een fiscaal etiket: “lijfrente”. De fiscale spelregels voor lijfrentevoorzieningen zijn de afgelopen decennia diverse malen gewijzigd. In dit artikel wordt uitsluitend ingegaan op de lijfrenten die tot stand zijn gekomen na de brede herwaardering.[4]

Fiscale aspecten lijfrente (regulier)
De gelden die worden ingelegd in een lijfrentevoorziening zijn door cliënten in het verleden als uitgave voor een inkomensvoorziening[5] in mindering gebracht op het inkomen uit werk en woning.[6][7] Voor de hoogte van de inleg, die fiscaal aftrekbaar is, gelden restricties. Om voor aftrek in aanmerking te komen dient de inleg binnen de jaarruimte[8] of reserveringsruimte[9] te blijven. Tegenover het belastingvoordeel staat dat de termijnen in de uitkeringsfase zijn belast als belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen.[10] Dat leidt concreet tot de volgende fiscale gevolgen:

1. Inkomstenbelasting[11]
Een ontvangen lijfrente-uitkering verhoogt het inkomen in box 1. Hierover moet inkomstenbelasting betaald worden.

2. Algemene heffingskorting[12]
De algemene heffingskorting is afhankelijk van de hoogte van het inkomen uit werk en woning. Dit wordt hoger door de ontvangen lijfrente-uitkering. Hierdoor wordt de algemene heffingskorting lager.

3. Inkomensafhankelijke premie zorgverzekeringswet[13]
Over belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen dient inkomensafhankelijke premie zorgverzekeringswet betaald te worden. Dit gaat om 5,32% over een grondslag van maximaal € 71.628.[14]

4. Toeslagen
Door de verhoging van het inkomen uit werk en woning zal ook het verzamelinkomen[15] toenemen. Hierdoor kan een eventueel recht op toeslagen aanzienlijk lager worden. Voorkomende toeslagen die zeer relevant zijn na een scheiding:

  • Kindgebonden budget
  • Kinderopvangtoeslag
  • Huurtoeslag
  • Zorgtoeslag

Een lijfrentevoorziening is fiscaal erg interessant omdat in de meeste gevallen de inleg wordt afgetrokken tegen een hoger tarief dan waartegen het in de uitkeringsfase is belast. Daarbij komt het voordeel dat een lijfrente fiscaal onderdeel is van box 1. Een lijfrentevoorziening is daarom geen onderdeel van de vermogensgrondslag in box 3. Er hoeft dus geen inkomstenbelasting over het (forfaitaire) rendement uit deze voorziening betaald te worden.

Tegenover het belastingvoordeel staat de voorwaarde dat de gelden uit de lijfrentevoorziening worden gebruikt om het inkomen op de oude dag aan te vullen. Het bedrag kan in principe niet ineens worden uitgekeerd.[16] De tegenwaarde van de voorziening dient op de ingangsdatum omgezet te worden in een recht op een periodieke uitkering.[17]

Lijfrente als onderdeel van de afwikkeling van een scheiding
Een lijfrente kan op verschillende manieren onderdeel zijn van de afwikkeling van een scheiding. In dit artikel wordt ingegaan op de lijfrentevoorziening als onderdeel van de vermogensafwikkeling. Specifiek wordt stilgestaan bij de volgende situaties:

  • Afwikkeling van een gemeenschap van goederen
  • Afwikkeling van een periodiek of finaal verrekenbeding
  • Gescheiden vermogens zonder verrekenbedingen

Lijfrente als onderdeel van de vermogensafwikkeling
In de adviespraktijk dient eerst onderzocht te worden tot welk vermogen een lijfrente behoort. Behoort de voorziening tot een huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap? Dan dient deze verdeeld te worden. Als een lijfrentevoorziening niet in een huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap valt, behoort deze tot het privévermogen van een van beide echtgenoten. Op grond van huwelijkse voorwaarden kan de voorziening binnen het bereik van een periodiek of een finaal verrekenbeding vallen. In dat geval dient de lijfrente niet verdeeld te worden. Wel dient de waarde van de lijfrentevoorziening in dat geval verrekend te worden. De partner heeft dan recht op geld en niet op de lijfrentevoorziening zelf.[18]

Belastinglatentie
Omdat de lijfrenteuitkeringen in de toekomst zijn belast, dient in het kader van de waardering van de lijfrentevoorziening een belastinglatentie toegepast te worden. In de literatuur is veel discussie over de hoogte van deze belastinglatentie. In de praktijk wordt de belastinglatentie om praktische redenen vaak vastgesteld op een afgerond percentage dat gelijk is aan de te verwachten belastingdruk op het moment dat de voorziening in de uitkeringsfase is. De hoogte van deze belastingdruk is afhankelijk van het totaal aan inkomen uit werk en woning (box 1). In 2024 is de belastingdruk voor iemand vanaf de AOW gerechtigde leeftijd:

Naast inkomstenbelasting dient over de ontvangen termijnen ook inkomensafhankelijke premie voor de zorgverzekeringswet te worden betaald. Dit gaat om 5,32% over een grondslag van maximaal
€ 71.628.[19]

In 2018 heeft de Hoge Raad[20] een uitspraak gedaan over de hoogte van een belastinglatentie van een lijfrentevoorziening. Hierin oordeelde de Hoge Raad dat als partijen bij de afrekening uitgaan van de afkoopwaarde op de peildatum, het niet is toegestaan voor de berekening van de belastinglatentie uit te gaan van een later moment en daarop vervolgens een contantewaardeberekening los te laten. Omdat bij deze scheiding werd gesproken over de afkoopwaarde werd de suggestie gewekt dat de voorziening afgekocht zou worden. In dat geval zou de uitkering direct belast worden tegen de dan geldende tarieven voor pensioeningangsdatum. In de scheidingspraktijk verdient het daarom de voorkeur de lijfrentevoorziening te waarderen op de waarde in het economisch verkeer en niet op de afkoopwaarde.

Afwikkeling lijfrente bij een huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap
Een lijfrentevoorziening kan onderdeel zijn van een huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap. De volgende vormen kunnen worden onderscheiden:

  • Wettelijke gemeenschap van goederen (voor 1 januari 2018 of na 01-01-2018)[21]
  • Beperkte gemeenschap overeengekomen in huwelijkse- of partnerschapsvoorwaarden

In deze situaties dient de lijfrente bij scheiding verdeeld te worden. De volgende opties kunnen dan worden onderscheiden:

  • Afkopen van de lijfrentevoorziening
  • Splitsen van de lijfrentevoorziening
  • Toedeling van de voorziening aan diegene die de voorziening heeft opgebouwd
  • Toedeling van de voorziening aan de partner die de voorziening niet heeft opgebouwd

Afkopen van de lijfrentevoorziening
Het afkopen van een lijfrentevoorziening heeft zeer grote fiscale gevolgen. De belastingplichtige dient bij afkoop inkomstenbelasting te betalen over alle premies en het rendement daarop.[22] Daarnaast dient 20% revisierente betaald te worden over deze uitkering. Dat maakt dat het afkopen van lijfrentevoorzieningen in zijn algemeenheid niet wenselijk is. Er geldt echter een versoepeling voor lijfrentevoorzieningen waarvan de waarde in het economische verkeer kleiner is dan € 5.364.[23] Deze vrijstelling geldt voor beide partners. Dat betekent dat voorzieningen die kleiner zijn dan € 10.728 bij een scheiding kunnen worden afgekocht. Hierbij dient de voorziening wel onderdeel te zijn van een huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap en dient duidelijk te zijn dat de afkoopwaarde bij helfte zal worden verdeeld.[24] Indien er meer dan één voorziening bij dezelfde aanbieders is afgesloten dienen de voorzieningen in dit kader bij elkaar opgeteld te worden.

Splitsen van de voorziening
De lijfrentevoorziening kan in het kader van een verdeling van een gemeenschap fiscaal geruisloos gesplitst worden.[25] De partner die de lijfrente niet heeft opgebouwd zet dan een deel van de voorziening voort.[26] Deze keuze heeft geen directe fiscale gevolgen. Bij verzekeringsproducten loopt men in de adviespraktijk tegen praktische knelpunten. Oude kapitaalverzekeringen met een uitkeringsgarantie kunnen immers nog prima renderen. In die gevallen is er veel aan gelegen de verzekering door te laten lopen. Traditionele verzekeringsproducten zijn meestal niet te splitsen. Hoe kan hier in de praktijk mee omgegaan worden?

  • Verzekering in stand laten en werken met een aanvaarde begunstiging.
  • De verzekering niet splitsen maar toedelen aan een van beide partners. Deze optie wordt later in dit artikel uitgewerkt.
  • Waarde van de verzekering aanwenden voor twee individuele bancaire lijfrentevoorzieningen.

Toedeling van de lijfrentevoorziening aan diegene die de voorziening heeft opgebouwd
Het is mogelijk de lijfrentevoorziening toe te delen aan diegene die de voorziening heeft opgebouwd. Dit kan ten aanzien van de lijfrentevoorziening zelf fiscaal geruisloos. Echter dienen cliënten rekening te houden met de gevolgen van zogenaamde fiscale verrekening van de lijfrentevoorziening. Dit fiscale aandachtspunt wordt in de praktijk vaak over het hoofd gezien. Doordat de voorziening aan één van beide partners wordt toebedeeld wordt de ontvangende partner overbedeeld. Hiervoor dient diegene een vergoeding te betalen aan de andere partner. Deze compensatie kan de vorm hebben van geld maar ook van een vermogensbestanddeel. De compensatie in verband met de overbedeling zal worden belast als periodieke uitkering en verstrekking bij de partij die de vergoeding ontvangt.[27] Deze partner zal dan geconfronteerd worden met de eerder genoemde fiscale gevolgen:

  • Inkomstenbelasting
  • Verlaging algemene heffingskorting
  • Inkomensafhankelijke premie zorgverzekeringswet
  • Verlaging eventuele toeslagen

De echtgenoot die de compensatie voldoet dient deze af te trekken als persoonsgebonden aftrek.[28] Deze aftrek is het spiegelbeeld van de belastbare uitkering en vertrekking en leidt tot een fiscaal voordeel.

Zoals gezegd worden deze fiscale gevolgen in de praktijk vaak vergeten. Hierdoor lopen gescheiden cliënten grote fiscale risico’s die zich zelfs jaren na de scheiding kunnen manifesteren. Voorbeeld ter illustratie:

Maarten en Vera zijn gehuwd in 2010 zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden. In 2024 gaan zij scheiden. Tot de gemeenschap behoort een lijfrentevoorziening op naam van Maarten. Deze voorziening wordt gewaardeerd op € 80.000 en toebedeeld aan Maarten. Vera krijgt een compensatie van € 40.000. Beide echtgenoten zijn niet geïnformeerd over de fiscale gevolgen van deze keuzes.

In 2027 komt Maarten erachter dat hij € 40.000 persoonsgebonden aftrek had moeten claimen. Hij dient een onderbouwd verzoek in bij de belastingdienst om de belastingaangifte van 2024 te corrigeren.[29] De belastingdienst zal dit verzoek samen behandelen met de aangifte 2024 van Vera. Dit zal ertoe leiden dat ook de aangifte van Vera wordt gecorrigeerd. Zij wordt hierdoor geconfronteerd met fiscale tegenvallers die bestaan uit de volgende onderdelen:

Deze berekening is gebaseerd op een salaris van Vera van € 25.000 per jaar. Huur € 750 euro per maand. Twee kinderen (5 en 8).

- Extra Inkomstenbelasting € 14.788 (36,97% van € 40.000)
- Verlaging Algemene heffingskorting € 2.438 (6,095% van € 40.000)
- Aanslag Inkomensafhankelijke premie zorgverzekeringswet € 2.128 (5,32% van € 40.000)
- Toeslagen:

  • Huurtoeslag
    Vera heeft door de fiscale claim geen recht meer op huurtoeslag. De huurtoeslag die zij in 2024 ten onrechte heeft ontvangen bedroeg € 5.040.
  • Kindgebonden budget
    In 2024 ontving Vera € 8.352 kindgebonden budget. Zij had eigenlijk recht op € 5.772. Ze dient daarom € 2.580 terug te betalen.
  • Zorgtoeslag
    Vera ontving in 2024 € 1.476 zorgtoeslag. Dit recht komt in zijn geheel te vervallen.

Conclusie: Vera moet € 28.450 betalen. Dit zal een enorme financiële impact hebben op Vera. In het ergste geval brengt dit een persoonlijk faillissement met zich mee. Dit voorbeeld illustreert het grote belang dat de scheidingspraktijk goede begeleiding biedt ten aanzien van de afwikkeling van lijfrentevoorzieningen.[30]

Toedeling van de lijfrentevoorziening aan de partner die de voorziening niet heeft opgebouwd
Ondanks dat deze partner de voorziening niet zelf heeft opgebouwd maakt deze voorziening onderdeel uit van de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap. Deze dient derhalve verdeeld te worden. De voorziening kan in zijn geheel worden overgedragen aan de partner die de voorziening niet zelf heeft opgebouwd.[31] Hiervoor gelden dezelfde fiscale aandachtspunten als bij de situatie waarbij de lijfrentevoorziening wordt toebedeeld aan diegene die de voorziening heeft opgebouwd.

In de adviespraktijk wordt door veel scheidingsprofessionals aangestuurd op een verdeling bij helfte. Dit houdt verband met de beperkte fiscale gevolgen die voortvloeien uit deze keuze. Het kan echter voorkomen dat het verdelen bij helfte niet past bij de wensen van cliënten. Ook kan de lijfrentevoorziening worden gebruikt ter compensatie van de overbedeling van één van beide partners. Dit wordt aan de hand van een voorbeeld toegelicht:

Maarten en Vera zijn gehuwd zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden. Tot de gemeenschap van goederen behoort een woning met een overwaarde van € 100.000. Zij hebben daarnaast een lijfrentevoorziening van € 80.000 (na toepassing belastinglatentie) en een bankrekening met daarop € 40.000 euro. De wens van Maarten en Vera is dat Vera de woning en hypotheek toebedeeld krijgt. Hierdoor wordt zij overbedeeld. Vera is in verband met haar inkomen van € 25.000 niet in staat om deze overbedeling extern te financieren. Wel is zij in staat om de bestaande geldlening voort te zetten.[32] In deze situatie kan de overbedeling worden gecompenseerd met de lijfrenteverzekering en een deel van het spaargeld. Maarten krijgt in deze situatie de lijfrente en € 30.000 van de gezamenlijke bankrekening. Vera krijgt de woning, de draagplicht van de schuld en € 10.000 van de gezamenlijke bankrekening. De gedacht is dat cliënten hun scheiding dan evenwichtig hebben afgewikkeld. Dat lijkt op het eerste gezicht ook te kloppen. Echter zal Vera ook in deze situatie worden geconfronteerd met een belastbare periodieke uitkering en verstrekking van € 40.000. Dit zal, zoals eerder in het artikel toegelicht, leiden tot een grote fiscale claim. Omdat Vera beperkte liquide middelen heeft zal ze hierdoor in grote problemen kunnen raken. Door dit inzicht is het de vraag of deze afwikkelingsroute überhaupt gekozen kan worden. De faciliteiten in de wet inkomstenbelasting bieden mogelijk uitkomst:

Maarten en Vera dienen in het jaar van ontbinding van het fiscaal partnerschap elkaar aan te merken als partners voor de vrije toerekening.[33] De persoonsgebonden aftrek van Maarten dient te worden toegerekend aan Vera.[34] Per saldo zal het inkomen uit werk en woning bij Vera met + € 40.000 (belastbare periodieke uitkering en verstrekking) - € 40.000 (persoonsgebonden aftrek Maarten) = € 0 worden beïnvloed. Wel zal zij inkomensafhankelijke premie voor de zorgverzekeringswet moeten betalen over de belastbare periodieke uitkering en verstrekking. Deze bedraagt in 2024 € 2.128 (5,32% van € 40.000). Maarten en Vera kunnen afspreken dat zij dit bedrag beiden voor de helft voldoen. Hierdoor wordt deze route in nagenoeg fiscaal neutraal doorlopen.

Let op: tariefcorrectie!
In de casus van Maarten en Vera wordt de persoonsgebonden aftrek uitsluitend gebruikt voor het verlagen van het belastbare inkomen in de laagste schijf (inkomen tot € 75.518). Hierdoor is er geen sprake van een tariefcorrectie.

Met ingang van 1 januari 2023 is de fiscale aftrek, door middel van de tariefscorrectie, feitelijk verlaagd naar het laagste tarief.[35] Dat betekent dat aftrek die wordt genoten boven de grens van de hoogste tariefschijf wordt gecorrigeerd met een extra bedrag aan te betalen belasting. Met andere woorden; als de volledige persoonsgebonden aftrek die was toegerekend aan Vera in de hoogte schrijf zou vallen, zou zij € 5.012 (12,53% * € 40.000) extra belasting moeten betalen.

De fiscale maatregel is vormgegeven als een tariefmaatregel. Dat wil zeggen dat de correctie van de aftrek niet van invloed is op het verzamelinkomen en derhalve geen gevolgen heeft voor heffingskortingen of toeslagen.

Afwikkeling van een periodiek of finaal verrekenbeding
Een lijfrentevoorziening kan ook onderdeel zijn van het te verrekenen vermogen. Het kan voorkomen dat diegene tot wiens vermogen de lijfrentevoorziening behoort in verband met een verrekenbeding een vergoeding moet betalen aan de andere echtgenoot. Het uitvoeren van een finaal verrekenbeding bij scheiding heeft dezelfde fiscale gevolgen als bij fiscale verrekening bij het verdelen van een huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.

De belastingdienst ziet het uitvoeren van een periodiek verrekenbeding op het moment van een echtscheiding als een verplichting die nog voortvloeit uit het huwelijk en niet uit de echtscheiding zelf.

Hierdoor is er volgens de belastingdienst geen sprake van de eerder genoemde fiscale gevolgen ten aanzien van de verrekening.[36]

Ook bij een verrekenverplichting kan het gewenst zijn dat de lijfrentevoorziening geheel of gedeeltelijk wordt toebedeeld aan de andere echtgenoot. Bijvoorbeeld als er onvoldoende liquide middelen zijn om een partner te compenseren. Deze handeling kan op grond van de letterlijke wettekst niet fiscaal geruisloos plaatsvinden. In een beleidsbesluit[37] is er echter een goedkeuring gegeven om de lijfrente onder specifieke voorwaarden over te dragen aan de andere partner.

Gescheiden vermogens zonder verrekenbedingen
Samenwoners of gehuwden met huwelijkse voorwaarden hebben gescheiden vermogens. Een lijfrente blijft bij deze doelgroep onderdeel van het privévermogen van diegene die de lijfrentevoorziening heeft opgebouwd. Het is in die situaties niet mogelijk om een lijfrente in het kader van een vermogensverdeling over te dragen.

Als professional kunt een belangrijke rol vervullen bij het zorgvuldig afwikkelen van lijfrentevoorzieningen. Hierdoor wordt voorkomen dat de scheidingsconsument met onverwachtse fiscale problemen wordt geconfronteerd.

Heb je behoefte aan verdieping op dit thema? De Scheidingsdeskundige biedt hiervoor diverse opleidingen:
Leergang Register Erkend Scheidingsadviseur® (RES)
Pensioenafwikkeling, lijfrentevoorzieningen en levensverzekeringen

[1] Art. 3.126 Wet IB 2001
[2] Art. 3.126a Wet IB 2001
[3] In dit artikel wordt niet gesproken over de productvormen maar over lijfrentevoorziening in zijn algemeenheid. In het kader van dit artikel wordt niet ingegaan op de lijfrente die is afgesloten bij een eigen BV.
[4] Lijfrentevoorzieningen die zijn gesloten na 01-10-1990 (premiebetalend) en na 01-01-1992 (koopsommen)
[5] Art. 3.124 Wet IB 2001
[6] Art. 3.1 lid 2i Wet IB 2001
[7] In dit artikel is ervanuit gegaan dat alle inleg ook daadwerkelijk in mindering is gebracht op het belastbare inkomen uit werk en woning
[8] Art. 3.127 lid 1 Wet IB 2001
[9] Art. 3.127 lid 2 Wet IB 2001
[10] Art. 3.100 lid 1b Wet IB 2001
[11] Art. 3.102 lid 1 Wet IB 2001
[12] Art. 8.10 Wet IB 2001
[13] Art. 43 lid ZWV
[14] Cijfers 2024
[15] Art. 2.18 Wet IB 2001
[16] Er zijn uitzonderingen zoals bij “kleine lijfrenten en situaties van overlijden en/of arbeidsongeschiktheid – Art. 3.133 Wet IB 2001
[17] Art. 3.125 Wet IB 2001
[18] Art. 1.137 BW
[19] Cijfers 2024
[20] Hoge Raad 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:281
[21] Art. 1:94 BW
[22] Art. 3.133 Wet IB 2001
[23] Art. 3.133 lid 2d Wet IB 2001
[24] Inkomstenbelasting, Vragen en antwoorden over lijfrenten, 6 mei 2021, onder C13
[25] Art. 3.134 lid 2 Wet IB 2001
[26] Het staat belastingplichtigen vrij om een specifieke verhouding overeen te komen
[27] Art. 3.102 lid 3b Wet IB 2001 en Gerechtshof Den Bosch 14 december 2017 ECLI:NL:GHSHE:2017:5584
[28] Art. 6.3 lid 1d Wet IB 2001
[29] Het is mogelijk om een ambtshalve verzoek in te dienen tot 5 jaar nadat de aanslag definitief vast stond. https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/bezwaar-en-beroep/content/te-laat-voor-bezwaar-wat-nu
[30] Deze problematiek speelt overigens ook bij pensioenverrekening en/of afkoop partneralimentatie
[31] Art. 3.134 lid 2 Wet IB 2001
[32] Mogelijk dient de vorm van hypothecaire geldlening aangepast te worden in verband met de aflossingseis sinds 01-01-2013
[33] Art. 2.17 lid 7 Wet IB 2001
[34] Art. 2.17 lid 5 onder c Wet IB 2001
[35] Art. 2.10 Wet IB 2001
[36] KG:070:2022:19 Aftrekbare onderhoudsverplichting bij verrekening van een lijfrenterekening bij echtscheiding vanwege periodiek verrekenbeding
[37] Besluit van 16 mei 2019, nr. 2019-115021


 

Wil jij perfect op de hoogte blijven?

Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.

  • Wekelijkse verdieping en actualiteiten
  • PE Punten
  • Scheiden in de media
  • FAQ
  • Naslagwerken
  • Maandelijks opzegbaar
leeromgeving.descheidingsdeskundige.nl
De Scheidingsdeskundige
Scheidingsdeskundige Congres 2025