19 november 2024
De Kennisgroep Onroerende Zaken van de Belastingdienst publiceerde onlangs een standpunt over de toerekening aan de eigenwoningschuld van meegefinancierde financieringskosten. Dit standpunt brengt een kleine nuance in de bepaling van de hoogte van de eigenwoningschuld na een scheiding.
De Kennisgroep Onroerende Zaken van de Belastingdienst publiceerde onlangs een standpunt over de toerekening aan de eigenwoningschuld van meegefinancierde financieringskosten. Dit standpunt brengt een kleine nuance in de bepaling van de hoogte van de eigenwoningschuld na een scheiding.
Inleiding - Theoretisch kader
De eigen woning speelt vaak een grote rol bij de financiële afwikkeling van een scheiding. Het bepalen van een eigenwoningschuld na een scheiding is door alle gedetailleerde wetgeving, zeer complex geworden. De nuances daarbij luisteren zeer nauw.
Na een scheiding dient de fiscale eigenwoningschuld opnieuw vastgesteld te worden in de volgende situaties:
De kosten die samenhangen met het aangaan van de financiering, spelen ook een rol bij het bepalen van de hoogte van de eigenwoningschuld.[1] Deze kosten mogen worden meegefinancierd in de totale geldlening. Deze financieringskosten kunnen bijvoorbeeld bestaan uit:
Het al dan niet meefinancieren van de financieringskosten, heeft invloed op de hoogte van de eigenwoningschuld. De daarbij correcte rekenmethode is in een nieuw kennisgroepstandpunt toegelicht door de belastingdienst.
Welke vraag werd voorgelegd aan de Kennisgroep?
De Kennisgroep onroerende zaken heeft de vraag beantwoord welk deel van de schuld die ziet op de financieringskosten kan worden aangemerkt als eigenwoningschuld als een deel van de financieringskosten ook betrekking heeft op een box 3-schuld.
Als de kosten die nodig zijn voor het totstandbrengen van de lening worden betaald uit de lening dan dient volgens de kennisgroep als noemer van de evenredigheidsbreuk bij de toerekening aan het deel van de lening dat als eigenwoningschuld kwalificeert, uit te worden gegaan van de schuld zonder de schuld voor de betaling van de financieringskosten. Dit lichten we toe aan de hand van een voorbeeld.
Voorbeeld
Robert en Katja besluiten te gaan scheiden en spreken af dat Katja de echtelijke woning volledig in eigendom krijgt. De woning is hun gezamenlijke eigendom (50/50) en heeft een waarde in het economische verkeer van € 500.000. De hypotheek, waar ze beiden voor de helft draagplichtig en hoofdelijk schuldenaar van zijn, bedraagt € 400.000.
Katja heeft de helft van de woning reeds in haar eigendom. Zij verwerft het deel van Robert. Zij betaalt daarbij ook de kosten van de akte van verdeling (€ 1.500) en de kosten die nodig zijn om de financiering te krijgen. Deze bestaan uit de kosten voor het hypotheekadvies, hypotheekakte en taxatie (totaal
€ 6.000). In dit voorbeeld sluit Katja een nieuwe hypothecaire geldlening van in totaal € 475.000. Omdat Katja geen geld heeft om de financieringskosten van € 6.000 te betalen, betaalt ze deze met een deel van de nieuwe hypotheek.
De eigenwoningschuld wordt dan als volgt bepaald, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tot de gangbare praktijk tot op heden en de uitwerking volgens de kennisgroep:

Als Robert na de afwikkeling van de scheiding besluit een nieuwe woning aan te kopen zal hij rekening moeten houden met de gerealiseerde eigenwoningreserve. Robert koopt een woning voor € 225.000 en hij financiert deze met een hypotheek van € 200.000. De financieringskosten bedragen € 5.000 en zijn meegefinancierd.

Belang voor de praktijk
Uit het voorbeeld blijkt dat het kennisgroepstandpunt niet bepaald een aardverschuiving teweegbrengt. Dit laat onverlet dat je als scheidingsprofessional op de hoogte dient te zijn van de nuances ten aanzien van de bepaling van de hoogte van de eigenwoningschuld na een scheiding. Temeer als je cliënten ook begeleidt ten aanzien van het verkrijgen van de financiering.
Status kennisgroepstandpunt
De Belastingdienst is nu, middels de gepubliceerde standpunten, duidelijk over haar interpretatie van deze fiscale regels. De vraag die rijst is wat de status van dergelijke kennisgroepstandpunten is. Kennisgroepstandpunten kunnen worden aangemerkt als beleid van de Belastingdienst. De standpunten geven, door de ogen van de Belastingdienst, uitleg aan wet- en regelgeving en zijn bindend voor de inspecteurs. In die zin kun je erop vertrouwen dat de Belastingdienst deze regels ook uniform zal toepassen.
Dat neemt overigens niet weg dat wet- en regelgeving in de rechtspraak alsnog anders kan worden uitgelegd. De rechter houdt geen rekening met interpretatie van wetgeving door de Belastingdienst maar zal zich baseren op het recht.
De standpunten vormen voor ons in elk geval een grond om de uitleg en interpretatie aan te passen in ons opleidingsmateriaal. Deze wijzigingen hebben wij inmiddels al doorgevoerd op de relevante plekken.
De Scheidingsdeskundige biedt meer verdieping over dit onderwerp in diverse opleidingen:
| Leergang Register Erkend Scheidingsadviseur® (RES)
|
|
Scheiden en de eigen woning
|
[1] Art. 3.119a lid 2 onder c Wet IB 2001
Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.