Vergoedingsrechten en noodzakelijke nuances

30 juli 2024

Vergoedingsrechten en noodzakelijke nuances

Een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden biedt interessante inzichten en nuances in hoe vergoedingsrechten worden behandeld in relatie tot erfenissen en het wel of niet toepassen van de beleggingsleer.


Een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden biedt interessante inzichten en nuances in hoe vergoedingsrechten worden behandeld in relatie tot erfenissen en het wel of niet toepassen van de beleggingsleer.

Wat was er aan de hand?
Willeke en Greet zijn in 2003 in gemeenschap van goederen gehuwd. Dit huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 31 maart 2023.

Willeke is één van de erfgenamen van haar vader die inmiddels is overleden. Haar vader had een testament uit 1991 welke een uitsluitingsclausule bevat:

“Ik bepaal dat al hetgeen mijn erfgenamen uit mijn nalatenschap verkrijgen, de vruchten daarvan en hetgeen door belegging of herbelegging wordt verkregen, niet zal vallen in enige gemeenschap van goederen waarin zij zijn gehuwd of te eniger tijd mochten huwen, noch betrokken wordt bij enig verrekenbeding krachtens huwelijkse voorwaarden of samenlevingsovereenkomst.”

De moeder van de Willeke stort tijdens het huwelijk in 2016, 2017 en 2018 in totaal € 150.000 op de bankrekening die op naam van Willeke staat.

Zienswijze Greet
Greet stelt zich op het standpunt dat dit schenkingen betreffen en dat daar geen uitsluitingsclausule op van toepassing is. Daarom is er van privévermogen van Willeke geen sprake. Er is volgens Greet dus ook geen sprake van een vergoedingsrecht.

Zienswijze Willeke
Willeke ziet dat anders. Volgens haar zijn de bedragen die zijn overgemaakt afkomstig uit de erfenis van haar vader en is de uitsluitingsclausule van toepassing. Daardoor is er volgens haar wel sprake van een vergoedingsrecht. Daarnaast stelt Willeke, onder verwijzing naar art. 1:87 BW dat de beleggingsleer van toepassing is omdat de gelden zijn gebruikt voor de woning die in waarde is gestegen.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden overweegt als volgt:
Het hof is van oordeel dat Willeke voldoende heeft aangetoond dat zij de volgende bedragen onder uitsluitingsclausule heeft ontvangen:

  • Op 14 augustus 2016 een bedrag van € 50.000. Willeke heeft wat betreft de vermogensrechtelijke positie van dit bedrag gewezen op een schriftelijk advies van de notaris aan haar moeder van 12 augustus 2016 waarin het volgende is opgenomen:

“U overweegt een bedrag groot € 50.000 uit te betalen aan uw zoon en aan uw dochter. Ik heb aangegeven dat dat op twee manieren kan:

  • U betaalt het bedrag uit als een schenking. Een kind heeft een vrijstelling van € 5.304. Over de rest is 10% schenkbelasting verschuldigd.
  • U betaalt het bedrag uit als een gedeeltelijke uitbetaling van het vaderlijk erfdeel. U wilt het bedrag uitbetalen als gedeeltelijk vaderlijk erfdeel. U hebt hiervan het vruchtgebruik. Als u de betreffende bedragen nu uitbetaalt, doet u dus afstand van dat vruchtgebruik. Dit is een bevoordeling van de kinderen, die als volgt wordt berekend:

De waarde van het vruchtgebruik bedraagt, gelet op uw leeftijd, 42%. De waarde van de schenking is dus € 21.000. Een kind heeft een vrijstelling van € 5.304. Over de rest is 10% schenkbelasting verschuldigd.

In de aangifte schenkbelasting dient dus te worden vermeld: afstand vruchtgebruik van een kapitaal groot € 50.000, waarde van het vruchtgebruik 42% oftewel € 21.000.”

Gelet op de korte tijd die is verstreken tussen deze brief, met de daarin vastgelegde wens van moeder om het bedrag van € 50.000 uit te betalen als gedeeltelijk vaderlijk erfdeel en de daadwerkelijke ontvangst van dat bedrag op 14 augustus 2016 heeft Willeke haar stellingen ten aanzien van dit bedrag voldoende onderbouwd. Het verweer van Greet is onjuist. Over het bedrag van € 50.000 is, anders dan Greet beweert, geen schenkbelasting voldaan. De schenkbelasting is betaald voor de schenking door de moeder aan Willeke die eruit bestaat dat zij afstand doet van haar vruchtgebruik van dit bedrag. Het bedrag zelf komt uit de nalatenschap van de vader.

  • Op 5 juli 2017 een bedrag van € 20.000. Het hof overweegt daartoe dat Willeke met bankafschriften heeft bewezen dat dit bedrag is betaald en ziet op de uitbetaling van de erfenis van de vader. In het bankafschrift stond namelijk: “DEEL VH ERFDEEL MBT DE ERFENIS VAN WILLEKE”.
  • Op 10 juli 2018 twee bedragen van € 40.000 (totaal € 80.000). Willeke heeft voor deze bedragen door middel van de aangifte schenkbelasting bewezen dat deze gelden afkomstig zijn uit de erfenis van de vader van Willeke. In de aangifte schenkbelasting werd niet de volledige schenking aangegeven maar de schenking die ziet op het afstand doen van het vruchtgebruik. Willeke heeft dan ook voldoende aangetoond dat ook dit bedrag afkomstig is uit de erfenis van zijn vader en dus onder de uitsluitingsclausule valt.

Dat betekent dat Willeke in totaal € 150.000 (€ 50.000 + € 20.000 + € 80.000) aan privévermogen heeft ontvangen uit de nalatenschap van haar vader waarop een uitsluitingsclausule van toepassing was.

Is er een vergoedingsrecht ontstaan?
Willeke heeft het door haar ontvangen privévermogen aantoonbaar overgeboekt op een bankrekening die onderdeel is van de gemeenschap van goederen. Hierdoor is dit geld vermengd en tot het gemeenschapsvermogen gaan behoren. Het wettelijk stelsel van titel 7 van boek 1 BW brengt dan mee dat Willeke als gevolg van deze vermogensverschuiving een vordering heeft op de gemeenschap (Hoge Raad 5 april 2019 – ECLI:NL:HR:2019:504). Er zou echter geen sprake zijn van een vergoedingsrecht als Greet kan bewijzen:

  • dat zij heeft afgesproken met Willeke dat er geen vergoedingsrecht zou ontstaan.
  • dat met het geld van de gemeenschap privéschulden van Willeke zijn betaald.

Willeke heeft een gespecificeerd overzicht overgelegd van de uitgaven die zij ten behoeve van de gemeenschap zou hebben gedaan, tot een totaalbedrag van € 145.163,97.

Het hof is dan ook van oordeel dat Willeke een vergoedingsrecht heeft ten laste van de huwelijksgemeenschap van € 145.163,97.

Beleggingsleer of nominalisme?
De volgende stap is dat vastgesteld moet worden of de beleggingsleer van toepassing is. Na het lezen van het eerste stuk van het artikel denk je misschien: “Natuurlijk is deze van toepassing!”. Het geld is ná 2012 geïnvesteerd in een woning. Zo klaar als een klontje….

Maarja…. Je voelt hem al aankomen….

Het hof is duidelijk:

Willeke heeft verzocht om het vergoedingsrecht vast te stellen met inachtneming van de beleggingsleer zoals die geldt sinds 1 januari 2012. Willeke stelt dat haar uitgaven hebben geleid tot een waardevermeerdering van de woning van 60%. Het hof gaat daar niet in mee. Het vergoedingsrecht van Willeke is ontstaan doordat de geërfde gelden door vermenging zijn gaan behoren tot de huwelijksgemeenschap en niet door rechtstreekse investering in de woning. Het vergoedingsrecht valt daarom niet onder het bereik van artikel 1:87 BW.

Het hof kent daarom het nominale bedrag van het vergoedingsrecht toe. Willeke heeft recht op € 145.163,97 vanuit de gemeenschap.

Belang voor de praktijk
Deze uitspraak is om meerdere redenen interessant. We kunnen niet genoeg benadrukken dat je bij het vaststellen van vergoedingsrechten verschillende stappen dient te doorlopen:

  • Is er sprake van uitgesloten vermogen?
  • Wat is de juridische grondslag voor het vergoedingsrecht en wanneer ontstaat deze?
  • Dient de beleggingsleer toegepast te worden?

In deze casus zien we dat het vergoedingsrecht al ontstaat op het moment dat het geld de “poorten” van de gemeenschap van goederen passeert. En dus niet op het moment dat het geld wordt aangewend ten behoeve van de woning. In de praktijk dienen situaties voorkomen te worden waarbij een vergoedingsrecht op basis van de beleggingsleer vast wordt gesteld omdat door cliënten wordt aangegeven dat het geld is gebruikt voor de woning. Het geld kan immers al eerder zijn vermengd waardoor het reeds onderdeel was van de gemeenschap. Dan geldt de nominaliteitsleer.

In de praktijk dient daarom nauwkeurig vastgesteld te worden wanneer en waardoor het vergoedingsrecht is ontstaan. Op basis daarvan kan vastgesteld worden wat de juridische grondslag is en of er sprake is van de beleggingsleer of dat het vergoedingsrecht op basis van het nominaliteitsbeginsel vastgesteld dient te worden.

Wil je jouw kennis over het vergoedingsrechten opfrissen of verdiepen? Het opleidingsaanbod van de Scheidingsdeskundige biedt daartoe diverse mogelijkheden:

Leergang Register Erkend Scheidingsadviseur® (RES)
Vastleggen vergoedingsrechten: kansen voor de professional
Vastleggen vergoedingsrechten & draagplichtovereenkomst: kansen voor de professional


Wil jij perfect op de hoogte blijven?

Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.

  • Wekelijkse verdieping en actualiteiten
  • PE Punten
  • Scheiden in de media
  • FAQ
  • Naslagwerken
  • Maandelijks opzegbaar
leeromgeving.descheidingsdeskundige.nl
De Scheidingsdeskundige
Scheidingsdeskundige Congres 2025