Verdeelde nalatenschap met uitsluitingsclausule valt volledig buiten de gemeenschap

14 oktober 2025

Verdeelde nalatenschap met uitsluitingsclausule valt volledig buiten de gemeenschap

Dat een erfenis die bestaat uit 1/3 deel van een woning door een uitsluitingsclausule buiten de gemeenschap van goederen valt is duidelijk. Maar wat als die erfgenaam later 2/3 van de andere erfgenamen overneemt, valt deze verkrijging dan in de gemeenschap of blijft deze onderdeel van het privévermogen?


Dat een erfenis die bestaat uit 1/3 deel van een woning door een uitsluitingsclausule buiten de gemeenschap van goederen valt is duidelijk. Maar wat als die erfgenaam later 2/3 van de andere erfgenamen overneemt, valt deze verkrijging dan in de gemeenschap of blijft deze onderdeel van het privévermogen?

Inleiding - Theoretisch kader
Maarten en Vera zijn in 2014 gehuwd in Maastricht. Er zijn geen huwelijkse voorwaarden opgesteld.

Op 15 februari 2014 is de vader van Maarten overleden. Tot zijn nalatenschap behoorde een woning. Maarten en zijn twee zussen waren, ieder voor 1/3e gerechtigd tot de nalatenschap. In het testament van de vader van Maarten was het volgende opgenomen: “hetgeen de erfgenamen verkrijgen en de revenuen daarvan, zullen niet vallen in enige gemeenschap van goederen, waarin zij zijn gehuwd of later mochten huwen”.

Omdat Maarten en Vera in de woning wilden wonen is Maarten met zijn zussen overeengekomen dat de woning aan hem zou worden toebedeeld. Maarten heeft daarbij de draagplicht van de hypotheekschuld van zijn vader overgenomen en zijn zussen beiden € 70.000 euro betaald wegens overbedeling. Maarten had dat geld niet op de plank liggen en is daarom samen met Vera een hypothecaire geldlening aangegaan van € 165.000. Op 18 juli 2022 hebben Maarten en Vera een tweede hypothecaire geldlening afgesloten van € 167.500, waarmee een verbouwing van de betreffende woning is gefinancierd.

Eind 2023 dient Maarten een verzoek tot scheiding in. Maarten en Vera verschillen van inzicht ten aanzien van de woning die afkomstig was uit de erfenis.

Vera stelt zich op het standpunt dat Maarten 1/3e van de woning als erfenis heeft verkregen en dat dat gedeelte, in verband met de uitsluitingsclausule, buiten de gemeenschap valt.

De andere 2/3 is niet geërfd, maar overgekocht van zijn zussen. Daardoor is dat deel van de woning in de gemeenschap gevallen. Daarnaast is de hypotheek op naam van hen beiden afgesloten en hebben zij gedurende het huwelijk daarop afgelost met gezamenlijk geld.

Op 18 juli 2022 zijn partijen een tweede hypotheek aangegaan voor de verbouwing van de woning van € 167.500. Door deze verbouwing is het (1/3e) geërfde aandeel van de vader in de woning ook in waarde toegenomen. Vera verzoekt daarom te bepalen dat de woning wordt toegedeeld aan Maarten en te bepalen dat Vera recht heeft op de helft van 2/3 van de overwaarde.

Mocht de rechtbank daar niet in meegaan doet Vera een beroep op een vergoedingsrecht omdat er tijdens het huwelijk is afgelost op de hypothecaire geldleningen.

Volgens Maarten valt de woning volledig in zijn privévermogen en zijn er geen vergoedingsrechten omdat Vera tijdens het huwelijk geen inkomen had en daardoor niet bijgedragen heeft aan de aflossingen. Vera heeft ook geen privévermogen geïnvesteerd, waardoor aan haar geen vergoedingsrechten toekomen.

De rechtbank overweegt en beslist
Partijen zijn getrouwd in 2014 en hebben geen huwelijkse voorwaarden gemaakt. Daardoor is de wettelijke algehele gemeenschap van goederen van toepassing.[1] Hierbij geldt als uitgangspunt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte wordt verdeeld.[2]

Vera stelt dat 1/3e deel van de woning, vanwege uitsluitingsclausule, niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort. Naar het oordeel van de rechtbank geldt hetzelfde voor het resterende aandeel in de woning. Maarten heeft dat aandeel in de woning immers toegedeeld gekregen in het kader van de verdeling van de nalatenschap van zijn vader. Omdat de woning in het kader van de verdeling van de nalatenschap aan Maarten is toegedeeld, is de uitsluitingsclausule, waaronder ook de zussen van de vader hebben geërfd, ook van toepassing op dat deel van de nalatenschap ten aanzien van de woning.[3] Dit betekent dat Maarten de volledige woning onder uitsluitingsclausule heeft verkregen. Maarten is daarmee volledig eigenaar geworden van de woning, zonder dat deze tot de huwelijksgoederengemeenschap is gaan behoren. Het feit dat Vera heeft meegetekend voor de hypothecaire geldleningen maakt dat niet anders.

Vergoedingsrechten
Tijdens het huwelijk is vanuit het inkomen afgelost op de hypothecaire geldleningen. Of die aflossingen hoofdzakelijk vanuit het inkomen van de man of de vrouw is voldaan is niet relevant. Beide inkomens behoorden immers tot de huwelijksgoederengemeenschap. Daarmee staat vast dat vanuit de huwelijksgoederengemeenschap is afgelost op de hypothecaire geldleningen, die op hun beurt volledig zijn aangewend ter financiering van de enkel aan de man toebehorende woning. Oftewel: door de aflossingen op de hypotheek is geld vanuit de gemeenschap in het vermogen van de man gevloeid. Hierdoor ontstaat een vergoedingsrecht van de gemeenschap op het privévermogen van Maarten.[4] Op het vergoedingsrecht dient de beleggingsleer toegepast te worden.[5]

Belang voor de praktijk
Bij de afwikkeling van een gemeenschap van goederen dient onderzocht te worden of bepaalde goederen tot de betreffende gemeenschap behoren of niet. Deze uitspraak laat zien dat dit niet altijd eenvoudig is. Belangrijkste conclusie is dat de uitsluitingsclausule die betrekking had op de gehele nalatenschap ook na de verdeling van de nalatenschap zijn kracht behoudt. Dat komt omdat de verdeling van de nalatenschap wordt gezien als een verkrijging krachtens verdeling van een nalatenschap waarop de uitsluitingsclausule van toepassing blijft.

Vanuit het perspectief van Vera is dit een pijnlijke constatering. Zij heeft Maarten immers in staat gesteld het geld te lenen om zijn zussen uit te kopen en de woning te verbouwen. Zij loopt haar deel van de overwaarde mis. Wel wordt ze ‘getroost’ met een vergoedingsrecht dat op basis van de beleggingsleer berekend moet worden.

Naast erfrechtelijke verkrijgingen speelt de problematiek ten aanzien van het vaststellen tot welk vermogen een goed behoort ook bij de nieuwe gemeenschap van goederen (huwelijken gesloten na 01-01-2018). Daar gaat het dan niet om de werking van een uitsluitingsclausule maar om het verkrijgingsmoment (voor en of na het ontstaan van de gemeenschap). Zo heeft de Rechtbank Zeeland-West Brabant in 2023 beslist dat een woning deels tot het privévermogen van de man behoorde en deels tot de gemeenschap. Dat hield verband met het verkrijgingsmoment; de man had de helft al in zijn bezit voordat hij in het huwelijksbootje stapte. De andere helft werd tijdens het huwelijk verworven en viel daarom in de gemeenschap.


[1] Art. 1:94 BW (oud)
[2] Art. 1:100 lid 1 BW
[3] Gerechtshof Den Bosch 14 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1720 en rechtbank Amsterdam van 3 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:493
[4] Art. 1:96 lid 5 BW
[5] Art. 1:87 lid 2 BW

Wil jij perfect op de hoogte blijven?

Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.

  • Wekelijkse verdieping en actualiteiten
  • PE Punten
  • Scheiden in de media
  • FAQ
  • Naslagwerken
  • Maandelijks opzegbaar
leeromgeving.descheidingsdeskundige.nl
De Scheidingsdeskundige
Scheidingsdeskundige Congres 2025