26 november 2024
Art. 1:95a BW bepaalt dat de gemeenschap van goederen recht heeft op een redelijke vergoeding voor de kennis, vaardigheden en arbeid die een echtgenoot ten behoeve van zijn onderneming heeft ingezet. Rechtbank Gelderland bepaalt dat een gebruikelijk DGA salaris van € 57.000 per jaar onvoldoende is!
Art. 1:95a BW bepaalt dat de gemeenschap van goederen recht heeft op een redelijke vergoeding voor de kennis, vaardigheden en arbeid die een echtgenoot ten behoeve van zijn onderneming heeft ingezet. Rechtbank Gelderland bepaalt dat een gebruikelijk DGA salaris van € 57.000 per jaar onvoldoende is!
Inleiding
Wanneer één van de echtgenoten bij aanvang van een huwelijk na 1 januari 2018[1] aandelen van een BV heeft, dan behoren deze niet tot de gemeenschap van goederen.[2] Dit leidt er in de praktijk toe dat waardeontwikkeling van de aandelen door groei van de onderneming of het oppotten van winsten buiten de gemeenschap van goederen blijven. In de praktijk kan de DGA daarnaast de hoogte van zijn eigen salaris vaststellen. Het komt niet zelden voor dat de DGA de hoogte van het salaris laag houdt. Door deze constructie blijft zoveel mogelijk vermogen in de BV dat bij een scheiding niet verdeeld hoeft te worden.
Om de partner van de DGA te beschermen tegen mogelijk misbruik van de DGA heeft de wetgever in 2018 het nieuwe art. 1:95a BW geïntroduceerd. Art. 1:95a BW bepaalt dat de gemeenschap recht heeft op een redelijke vergoeding die samenhangt met kennis, vaardigheden en arbeid die de DGA ten behoeve van die onderneming heeft aangewend.[3] Belangrijk bij het bepalen van de vergoeding is dat de continuïteit van de onderneming niet in gevaar mag komen.[4] Art. 1:95a is een open norm die in de praktijk kan leiden tot discussies en in het verlengde daarvan tot juridische procedures. Zo ook in de zaak die recentelijk is behandeld door de rechtbank Gelderland.
Wat was er aan de hand?
Maarten en Vera trouwden na 2018 zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden. Maarten is voor het sluiten van het huwelijk al 100% eigenaar van de aandelen van zijn holding. De holding heeft minderheidsbelangen in verschillende onderliggende ondernemingen die onderdeel uitmaakten van een familiebedrijf. Maarten betaalde aan zichzelf een salaris van € 57.000 gebaseerd op het minimale fiscale DGA salaris. Maarten en Vera gaan scheiden in 2023 en hebben verschillende inzichten ten aanzien van de ondernemingen.
Vera stelt dat zij recht heeft op:
Daarnaast vordert zij subsidiair dat zij recht heeft op een redelijke vergoeding op grond van art. 1:95a BW en dat deze vergoeding vastgesteld moet worden op de hoogte van de winst. Aan de gemeenschap dient volgens haar daarom € 1.254.618 ten goede te komen. Na verdeling van de gemeenschap heeft zij recht op € 627.309.
Maarten is het daar niet mee eens en stelt dat Vera geen recht heeft de waarde van de ondernemingen en de gemaakte winsten. Ook vind hij dat Vera geen recht heeft op een redelijke vergoeding op grond van artikel 1:95a BW omdat:
Maarten stelt daarnaast met onderbouwing van zijn accountant dat hij, gezien zijn minderheidsbelang niet bij machte is te bepalen dat er winsten van de dochterondernemingen aan zijn holding worden uitgekeerd.
Rechtbank Gelderland
De rechtbank wijst de vorderingen van Vera inzake het verdelen van de ondernemingen en de winsten af. Deze komen gezien het huwelijksgoederenregime niet voor verdeling in aanmerking.
De gemeenschap heeft recht op een redelijke vergoeding die moet worden vastgesteld op basis van concrete omstandigheden. De gedachte achter deze bepaling is dat bij ondernemers met een privéonderneming de gemeenschap op een gelijke wijze zou moeten meeprofiteren als wanneer de echtgenoot zou werken voor een marktconform salaris. Deze bepaling beschermt de echtgenoot van de ondernemende echtgenoot die zelf bepaalt welk salaris en dividend hij uit zijn onderneming haalt en daarmee de mogelijkheid heeft zichzelf een te laag salaris uit te keren ten opzichte van de werkzaamheden die hij verricht.
De rechtbank overweegt dat Maarten als enig aandeelhouder van de holding in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winst van de holding hem rechtstreeks of middellijk ten goede komt. Maarten heeft aangevoerd dat hij, gezien zijn minderheidsbelang niet bij machte is om over te bepalen dat de winst van de onderliggende BV’s hem of zijn holding zou toekomen. Beslissingen over winstuitkeringen uit het familieconcern moeten immers - kort gezegd - door de gehele familie (vader en vier broers) genomen worden. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet de bedoeling zijn dat artikel 1:95a lid 2 BW niet geldt in een situatie waarbij er een holding zit boven de deelnemingen (werkmaatschappijen). Maarten heeft wel zeggenschap over de uitkering van zijn salaris en dividend vanuit de holding. In de holding zit ook het resultaat van de deelnemingen, waarvoor hij zijn werkzaamheden verricht. Uiteindelijk is het aan Maarten te bepalen welk salaris en welk dividend hij zich jaarlijks uit laat keren vanuit zijn eigen holding.
De rechtbank stelt vast dat er tijdens de periode van het huwelijk voldoende resultaat in de holding van Maarten is gevloeid om zich een hoger salaris uit te keren dan dat hij heeft gedaan. Zo is het eigen vermogen tijdens het huwelijk van vrijwel niks naar € 1.668.286 gestegen.
Vervolgens is het de vraag welke vergoeding in dit geval redelijk is voor de kennis, kunde en arbeid die Maarten heeft ingezet voor de holding en de werkmaatschappijen en of deze redelijke vergoeding al aan de gemeenschap ten goede is gekomen.
De rechtbank is net als Vera van oordeel dat het DGA-salaris van Maarten een fictief salaris is dat slechts om fiscale redenen wordt aangehouden. Dit salaris zegt niets over de kennis, kunde en arbeid die Maarten heeft geïnvesteerd in de holding en de werkmaatschappijen. Het DGA-salaris is dan ook niet maatgevend voor het resultaat van de arbeidsinspanningen van Maarten en daarmee voor de redelijke vergoeding. Hierbij overweegt de rechtbank ook dat er meer dan een miljoen winst is gedraaid in de onderneming en een redelijke vergoeding van € 57.000 bruto per jaar als DGA-salaris daarmee niet in verhouding staat.
De rechtbank is van oordeel dat de helft van de behaalde winst van € 1.254.618, zoals Vera verzoekt, niet passend is, omdat de winst niet één op één gewaardeerd kan worden op de werkzaamheden van Maarten. Het is namelijk niet zo dat Maarten met zijn inspanningen alleen meer dan een miljoen winst heeft gemaakt. Dit heeft hij mede kunnen realiseren door de inzet van alle familieleden in het bedrijf. Daarnaast is er ook sprake van bepaalde rendementen en kunnen ook allerlei andere omstandigheden hier nog op van invloed zijn geweest. Ook acht de rechtbank het niet passend om aan te sluiten bij de toename van de overige reserve. Dit is namelijk een afgeleide van winst. De reserve wordt gevormd door de winst die niet wordt uitgekeerd. Dit heeft daarom geen verband met de arbeidsinspanningen van Maarten. Aan de andere kant is in dit geval sprake van een groot familiebedrijf waar veel kapitaal en winst in zit, waardoor een behoorlijke vergoeding op zijn plaats is.
De rechtbank acht het passend om aan te sluiten bij een beloning die Maarten in een gelijksoortige onderneming of omstandigheden zou ontvangen als ondernemer. Gelet op de positie van Maarten binnen het bedrijf als mede-eigenaar en mededirecteur en als enig eigenaar van een holding met een eigen vermogen van € 1.668.286 in 2023, acht de rechtbank een redelijke vergoeding voor zijn werkzaamheden een bedrag van minimaal € 140.000 bruto per jaar.
Tijdens het huwelijk is er € 57.000 bruto per jaar ten goede gekomen aan het gezin. Dit betekent dat er nog een vergoeding is verschuldigd van € 498.000 ( 140.000 - 57.000 x 6 jaar huwelijk) bruto aan de gemeenschap, te weten € 260.952 netto. De rechtbank stelt de vordering van Vera op Maarten daarom vast op € 130.476.
Belang voor de praktijk
Art. 1:95a BW is een open norm. Dat betekent dat er in de praktijk onderhandeld moet worden binnen een breed spectrum. Dat zien we ook in deze zaak. Maarten houdt vast aan het ene uiterste namelijk het minimale reeds uitgekeerde DGA salaris. Vera zet in op het andere uiterste namelijk de helft van de gerealiseerde winst. Dit illustreert het potentieel explosieve karakter van deze noodzakelijke beschermingsregeling.
Positiever uitgelegd leent deze regeling zich uitstekend voor goede begeleiding door een professional die samen met cliënten in onderling overleg naar een redelijke oplossing werkt. Deze schaarse uitspraak over artikel 1:95a BW geeft wat kaders en houvast voor de beroepspraktijk.
De belangrijkste conclusie is wat ons betreft dat de rechtbank voor het vaststellen van de redelijke vergoeding niet aansluit bij een DGA salaris of de gerealiseerde winst. De rechtbank sluit aan bij een marktconform salaris rekening houdend met het welvaren van de onderneming.
Extra verdieping op dit onderwerp kun je vinden bij diverse bijeenkomsten van de Scheidingsdeskundige:
| Scheiden & Ondernemers (Bundel)
|
| Knelpunten afwikkeling nieuwe beperkte gemeenschap
|
| Ondernemer en alimentatie
|
[1] Art. IV lid 2 Overgangsrecht Huwelijksvermogensrecht 2018
[2] Art. 1:94 lid 2 BW
[3] Art. 1:95a lid 2 BW
[4] Kamerstukken I 2016/2017, 33 987, nr. H, p. 6
Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.