4 november 2025
Hoe dient te worden omgegaan met de niet-opeisbare vordering in verband met de wettelijke verdeling bij een echtscheiding? Dienen deze vorderingen te worden verdeeld? En zo ja? Hoe waardeer je deze dan? In dit artikel wordt naast een juridische analyse ingegaan op de aandachtspunten in de scheidingspraktijk.
Hoe dient te worden omgegaan met de niet-opeisbare vordering in verband met de wettelijke verdeling bij een echtscheiding? Dienen deze vorderingen te worden verdeeld? En zo ja? Hoe waardeer je deze dan? In dit artikel wordt naast een juridische analyse ingegaan op de aandachtspunten in de praktijk.
Dit artikel is recentelijk gepubliceerd in het Echtscheidingsbulletin (Kluwer)
1. Wettelijke verdeling
Uitgangspunt van het wettelijke erfrecht is dat de langstlevende echtgenoot[1] ongestoord verder moet kunnen leven. Dit wordt onder andere bereikt door de zogenoemde wettelijke verdeling.[2] De wettelijke verdeling is, tenzij de erflater bij testament anders heeft beschikt, van toepassing als de erflater een echtgenoot en één of meer kinderen als erfgenamen achterlaat. De wettelijke verdeling houdt in dat alle goederen en schulden van rechtswege op de langstlevende echtgenoot overgaan.[3] Ook in situaties waarbij een testament is gemaakt wordt vaak aangesloten bij de wettelijke verdeling. Dit maakt dat de wettelijke verdeling bij veel nalatenschappen van toepassing is.
De langstlevende echtgenoot kan, in principe, in alle vrijheid over het vermogen uit de nalatenschap beschikken. De kinderen van de erflater hebben een zwakke erfrechtelijke positie omdat zij op grond van de wet slechts een niet-opeisbare geldvordering op de langstlevende echtgenoot ter grootte van hun erfdeel verkrijgen.[4] Onder omstandigheden is deze vordering rentedragend.[5] Hierbij kan gedacht worden aan een situatie waarbij de erflater in zijn testament een rente heeft bepaald of de langstlevende echtgenoot samen met de kinderen, om fiscale redenen, een rentevergoeding met betrekking tot de vordering is overeengekomen.
De vordering van de kinderen op de langstlevende is op grond van de wet slechts opeisbaar:[6]
Het is niet mogelijk de wettelijke opeisbaarheidsgronden uit te sluiten. Wel kan de erflater andere opeisbaarheidsgronden in zijn testament opnemen.[7]
2. Wilsrechten
Indien de langstlevende hertrouwt, kunnen de goederen uit de nalatenschap van de eerst overleden ouder na diens overlijden, al dan niet op grond van de wettelijke verdeling die ook van toepassing is op een opvolgend huwelijk, toekomen aan de nieuwe echtgenoot. Om evenwicht te brengen tussen de belangen van de langstlevende echtgenoot en de kinderen van de erflater bestaan daarom naast de wettelijke opeisbaarheidsgronden zogenaamde wilsrechten die als motief hebben de kinderen te beschermen tegen het zogenaamde stieffamiliegevaar. Door een beroep op een wilsrecht dient de langstlevende echtgenoot goederen, met de waarde van ten hoogste de geldvordering van het kind, over te dragen aan de kinderen. Hiermee wordt voorkomen dat vermogen uit de nalatenschap van de overleden ouder vererft naar een nieuwe echtgenoot. Wilsrechten zijn geen vorderingsrechten maar bevoegdheden die bij uitoefening leiden tot een vordering tot overdracht door de (stief)ouder van goederen met een waarde van ten hoogste de geldvordering die het kind uit hoofde van de wettelijke verdeling heeft. Deze wilsrechten kunnen in de volgende situaties uitgeoefend worden:
Hierbij dient aangetekend te worden dat de overdracht van de goederen op grond van de wilsrechten genoemd onder 1 en 3, ter bescherming van de langstlevende, onder voorbehoud van vruchtgebruik zal plaatsvinden.[13] De kinderen hebben dan slechts het “bloot eigendom” van de goederen. Tussen de kinderen en de langstlevende ouder/stiefouder gelden de regels van vruchtgebruik.[14] Het voordeel van het verkrijgen van het bloot eigendom voor het kind is dat de langstlevende de betreffende goederen, in principe, niet meer kan verteren.
Door overlijden van de langstlevende (stief) ouder wordt de geldvordering van het kind uit hoofde van de wettelijke verdeling op grond van de wet opeisbaar.[15] De waarde van de wilsrechten uit artikel 4:20 en 4:22 BW ziet op dat moment op het zogenaamde affectieaspect dat inhoudt dat het kind de mogelijkheid heeft betaling in de vorm van goederen met een bepaalde affectiewaarde te vorderen. Als de langstlevende (stief) ouder en het kind geen overeenstemming bereiken kunnen zij zich wenden tot de kantonrechter.[16]
Op het moment van overlijden van de langstlevende (stief) ouder wordt duidelijk in hoeverre de vordering ten gelde gemaakt kan worden. Bij een latere scheiding van het kind zal, in het geval de erfrechtelijke verkrijging in een huwelijksgemeenschap is gevallen, de ten gelde gemaakte vordering bij helfte verdeeld moeten worden.[17]
In een testament kan een erflater de wilsrechten hebben uitgebreid, beperkt of opgeheven.[18] De uitoefening van een wilsrecht kan slechts geschieden door het vorderingsgerechtigde kind en niet door diens echtgenoot.[19] Een kind dat voornemens is een wilsrecht uit te oefenen, dient de andere kinderen over zijn voornemen te informeren.[20]
3. Verdeling bij echtscheiding
Ondanks dat het onzeker is in hoeverre de vastgestelde niet-opeisbare geldvordering van het kind geïnd zal kunnen worden, kwalificeert deze vordering als een vermogensrecht.[21]
Bij een echtscheiding van in gemeenschap van goederen gehuwde partners (vóór 01-01-2018) valt de niet-opeisbare vordering die voortvloeit uit de wettelijke verdeling in de gemeenschap van goederen.[22] Deze vordering dient daarom bij een echtscheiding verdeeld te worden. In situaties waarbij een uitsluitingsclausule op de nalatenschap van toepassing is, valt de vordering in het privévermogen van de echtgenoot en hoeft derhalve niet te worden verdeeld.[23]
Bij huwelijken die na 1 januari 2018 zijn gesloten valt een erfrechtelijke verkrijging standaard in het privévermogen en zal bij een scheiding niet verdeeld hoeven te worden.[24] Dat is anders als ouders een zogenaamde insluitingsclausule met betrekking tot hun nalatenschap hebben gemaakt.[25] Hierdoor valt de verkrijging wel in de wettelijke gemeenschap van goederen zoals deze vanaf 1 januari 2018 in de wet staat opgenomen. Stellen kunnen daarnaast in hun huwelijkse voorwaarden bepalen dat erfrechtelijke verkrijgingen in de gemeenschap van goederen vallen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een uitsluitingsclausule prevaleert boven de opgestelde huwelijkse voorwaarden waarin is bepaald dat erfrechtelijke verkrijgingen in de gemeenschap vallen.[26]
In de praktijk komt het regelmatig voor dat vorderingen in verband met de wettelijke verdeling niet goed worden geïnventariseerd. Dat kan komen doordat een erfgenaam zich er, vanwege de wettelijke verdeling, niet van bewust is dat er iets is geërfd. Hij of zij heeft immers niets in ‘handen’ gekregen. Vorderingen uit hoofde van de wettelijke verdeling zijn daarnaast gedefiscaliseerd voor de inkomstenbelasting.[27] Dat geldt ook voor situaties waarin een kind het bloot eigendom heeft verworven door gebruik te maken van een wilsrecht zoals genoemd in art. 4:19 BW en 4:21 BW.[28] In dat geval geeft de vruchtgebruiker de volledige omvang van het vermogen op in box 3. Het kind geeft niets aan in box 3. Dat betekent dat deze vorderingen niet terug worden gevonden in de aangifte inkomstenbelasting die bij de afwikkeling van een scheiding vast onderdeel is van de inventarisatie. Het boven water krijgen van deze “onzichtbare” vorderingen vraagt daarom bijzondere aandacht.
Als een vordering wordt vergeten, blijft deze onverdeeld. De scheiding is dan niet volledig afgewikkeld. Het risico ligt dan op de loer dat bij het overlijden van de langstlevende ouder (of stiefouder) een ex-echtgenoot zich meldt met het verzoek de vordering, die op dat moment opeisbaar wordt, alsnog te verdelen. Dergelijke situaties dienen voorkomen te worden door meer aandacht te besteden aan de inventarisatie van de bezittingen en schulden. In de praktijk dient daarom niet alleen gevraagd te worden of iemand een erfenis heeft ontvangen. Het verdient aanbeveling dat bij de inventarisatie wordt nagegaan of beide ouders nog leven. Is er sprake van een overleden ouder, inventariseer dan de volgende zaken:
Door een goede inventarisatie komen de vordering en alle relevante onderdelen van de specifieke context op tafel. Vervolgens dient stilgestaan te worden bij de vraag: hoe een dergelijke vordering gewaardeerd dient te worden.
4. Waardering van de vordering
Als de niet-opeisbare vordering op tafel ligt, ontstaat de volgende uitdaging. Dat gaat over de vaststelling van de waarde van de vordering. De vorderingen laten zich echter slechts bij benadering waarderen aangezien hun realisatie afhankelijk is van toekomstige en onzekere omstandigheden. Daarbij kan gedacht worden aan de levensverwachting van de langstlevende, de vraag of er wilsrechten uitgeoefend kunnen worden ten aanzien van het verkrijgen van bloot-eigendom en natuurlijk het uitgavepatroon van de langstlevende. Hieronder worden ter illustratie twee voorbeelden uiteengezet waarin de waarderingsproblematiek zichtbaar wordt.
Voorbeeld 1 ter illustratie
Vera’s moeder is overleden en alle bezittingen en schulden zijn op grond van de wettelijke verdeling bij de vader van Vera gebleven. Vera heeft uit hoofde van de wettelijke verdeling een geldvordering op haar vader (ter grootte van haar erfdeel) verkregen die in beginsel pas opeisbaar is bij het overlijden van haar vader. Twee fictieve situaties:
Gezien de feiten en omstandigheden is het zeer onwaarschijnlijk dat vordering 1 in de toekomst geïnd kan worden. Gesteld kan worden dat de waarde van deze vordering nihil bedraagt. Vordering 2 is daarentegen zeer waardevol omdat deze op korte termijn volledig geïnd zal kunnen worden.
Voorbeeld 2 ter illustratie
Vera’s moeder is overleden en alle bezittingen en schulden zijn op grond van de wettelijke verdeling bij de vader van Vera gebleven. Vera heeft uit hoofde van de wettelijke verdeling een geldvordering op haar vader (ter grootte van haar erfdeel) verkregen die in beginsel pas opeisbaar is bij het overlijden van haar vader. Twee fictieve situaties:
In situatie 2 kan Vera haar wilsrecht uitoefenen waardoor haar vader verplicht is op verzoek van Vera goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste haar geldvordering. De overdracht van de goederen vindt, tenzij de vader van Vera daarvan afziet, plaats onder voorbehoud van het vruchtgebruik. Door een beroep op het wilsrecht komt Vera in een veel krachtigere juridische positie terecht dan in situatie 1 waarbij alle bezittingen bij de vader van Vera blijven. De vader van Vera heeft immers recht om ongestoord verder te leven en het staat hem vrij om al zijn vermogen op te maken waardoor de vordering van Vera in de toekomst niet meer geïnd kan worden.
Geconcludeerd kan worden dat slechts de nominale hoogte van een geldvordering uit hoofde van de wettelijke verdeling vastgesteld kan worden. Omdat het onzeker is of de vordering geïnd kan worden is de waarde in het economische verkeer nagenoeg nooit nauwkeurig vast te stellen. De exacte waarde van de vordering op de langstlevende zal in de meeste gevallen pas vastgesteld kunnen worden op het moment dat de langstlevende echtgenoot komt te overlijden, waardoor de vordering opeisbaar wordt. In de scheidingspraktijk dient de hoogte van de vordering daarom, bij voorkeur in onderling overleg, aan de hand van de feiten en omstandigheden te worden geschat.
5. Welke keuzes kunnen cliënten maken?
Hieronder wordt ervan uitgegaan dat de niet-opeisbare vordering onderdeel is van de gemeenschap van goederen en verdeeld dient te worden. Op hoofdlijnen zijn er dan vier keuzemogelijkheden die cliënten kunnen maken.
A. Ontvlechten zonder afrekenen
Bij deze optie wordt de vordering uit hoofde van de wettelijke verdeling, zonder verrekening van eventuele waarde, toegedeeld aan de echtgenoot die erfgenaam was in de nalatenschap. Deze wens van cliënten kan bijvoorbeeld bestaan als één van beide echtgenoten een niet- opeisbare vordering heeft op een langstlevende ouder en beide ouders van de andere echtgenoot nog in leven zijn. Door de vordering zonder waardeverrekening aan de betreffende echtgenoot toe te delen wordt een gevoelsmatig onrechtvaardige situatie voorkomen waarin de ene echtgenoot wel meedeelt in de nalatenschap van de ouders van de betreffende echtgenoot maar andersom niet meedeelt in de nalatenschap van de ouders van de andere echtgenoot die na de scheiding komen te overlijden. Beide partners zien op die manier af van de erfenis van elkaars ouders.
Fiscale consequenties
Bij deze oplossingsrichting bestaat het risico van schenkbelasting. Onder een schenking wordt door de Successiewet verstaan: “de gift, bedoeld in artikel 186, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW)”.[32] Uit de wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur kunnen de volgende elementen van een belaste schenking worden geformuleerd:
Zoals eerder geschreven is het vaststellen van de waarde van de niet-opeisbare vordering alles behalve exacte wetenschap. Het is immers in veel gevallen maar de vraag wanneer en of er überhaupt iets geïnd kan worden op de vordering. Dat maakt het enorm lastig vast te stellen welk bedrag geschonken is en daarmee hoeveel schenkbelasting betaald zou moeten worden. Of er sprake is van schenkbelasting zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. In veel situaties achten wij de kans op een onverwachtse belastingaanslag, gezien de complexiteit van het vaststellen van de hoogte van de vordering, gering. Wij adviseren echter desondanks om in dit soort zaken cliënten uitdrukkelijk te wijzen op dit fiscale risico.
B. Ontvlechten en afrekenen
Bij deze optie wordt de vordering uit hoofde van de wettelijke verdeling toegedeeld aan de echtgenoot die erfgenaam was in de nalatenschap. Daarbij wordt schattenderwijs een “zakelijke” overbedelingsvordering vastgesteld. Zoals eerder aangegeven is de exacte hoogte hiervan onmogelijk vast te stellen. In onderling overleg en aan de hand van feiten en omstandigheden kunnen cliënten tot een waardering komen op basis waarvan kan worden afgerekend. Dit leidt tot volledige ontvlechting onder zakelijke condities.
C. Afwikkeling conform rechtspraak. [33]
Bij deze optie wordt de vordering uit hoofde van de wettelijke verdeling toegedeeld aan de echtgenoot die erfgenaam was in de nalatenschap. Daarbij wordt afgesproken dat hetgeen in de toekomst geïnd wordt op deze vordering voor de helft toekomt aan de ex-echtgenoot. Hierdoor wordt bewerkstelligd dat de ex-echtgenoot op afstand komt te staan maar wel economisch meedeelt. Beide ex-echtgenoten lopen een gelijk risico ten aanzien van het wel, gedeeltelijk of niet innen van de vordering. Zeker als er een rentevergoeding is overeengekomen of door de erflater in het testament is opgenomen ten aanzien van de niet opeisbare vordering kan deze vordering, ook na de scheiding, behoorlijk oplopen.
In situaties waarbij sprake is van een testament met daarin de wettelijke verdeling of een ouderlijke boedelverdeling[34] geldt dezelfde juridische route zoals hierboven beschreven.[35]
Deze wijze van afwikkeling leidt ertoe dat echtgenoten die al geruime tijd gescheiden zijn nog verplicht zijn zaken met elkaar te doen na het opeisbaar worden van de vordering. Dat is meestal het moment waarop de langstlevende (stief)ouder komt te overlijden. Het is op dat moment de vraag of het wenselijk is om op dat moment nog zaken te moeten doen met een ex-echtgenoot. Daarnaast kan een betrokken ex-echtgenoot in verband met tijdsverloop “vergeten” zijn dat deze nog een verplichting heeft aan zijn ex-echtgenoot in verband met deze vordering.
Ook kan er een situatie ontstaan dat na de afwikkeling van de scheiding een wilsrecht met betrekking tot de vordering door een ex echtgenoot uitgeoefend kan worden. Het al dan niet uitoefenen van dit wilsrecht heeft invloed op de financiële positie van de andere ex-echtgenoot (niet erfgenaam). In hoeverre is deze ex-echtgenoot (erfgenaam) dan verplicht dit wilsrecht, mede in het belang van diens ex-echtgenoot, in te roepen?
D. Overdragen van de vordering
In theorie zou een dergelijke vordering ook overgedragen kunnen worden. Bijvoorbeeld aan een andere erfgenaam. Hierdoor zou er geld beschikbaar kunnen komen dat vervolgens verdeeld zou kunnen worden. Door het overdragen of gedeeltelijk overdragen van de vordering komen de hierop rustende wilsrechten te vervallen. Dat gaat dan ten koste van de kans dat er op de vordering geïnd kan worden.[36] Dat geldt ook als de vordering wordt overgedragen aan een mede-erfgenaam.[37] Deze route zal in de praktijk dan ook zelden of nooit voorkomen.
6. Vastlegging in het convenant
Na een goede inventarisatie en voorlichting aan cliënten kunnen de wensen van cliënten in het convenant worden opgenomen. In alle gevallen verdient het aanbeveling bij de vastlegging van één van bovengenoemde afspraken uitgebreid aandacht te besteden aan de overwegingen die de grondslag vormen voor de gemaakte keuzes. Hierdoor is het, ook jaren na de afwikkeling van de echtscheiding, voor beide cliënten duidelijk waarom ze tot een bepaalde keuze zijn gekomen.
Tot slot
De niet-opeisbare vorderingen die voortvloeien uit de wettelijke verdeling nemen een bijzondere positie in op het snijvlak tussen het erfrecht en huwelijksvermogensrecht. Hoewel deze niet-opeisbare vorderingen civielrechtelijk kwalificeren als vermogensrechten is hun waarde hoogst onzeker omdat deze afhankelijk is van diverse onzekere factoren die zich pas in de toekomst zullen manifesteren.
De aankomende jaren zullen veel stellen die gaan scheiden, gehuwd zijn voor 1 januari 2018 waardoor nog de algehele gemeenschap van goederen van toepassing is. Hierdoor zal het zeer regelmatig voorkomen dat scheidingsprofessionals worden geconfronteerd met niet-opeisbare geldvorderingen die verband houden met de wettelijke verdeling en aandacht behoeven bij de afwikkeling van een echtscheiding. Primair moet voorkomen worden dat deze vermogensrechten vergeten worden. Dat kan door meer aandacht te besteden en grondiger te inventariseren. Als de vordering is geïnventariseerd dienen cliënten geïnformeerd te worden over de juridische kaders, de onzekerheid ten aanzien van de waardering en hun keuzemogelijkheden. Als dat proces is doorlopen kunnen de afspraken in het convenant worden vastgelegd.
Ik spreek mijn wens uit dat deze erfrechtelijke verkrijgingen meer aandacht krijgen in de scheidingspraktijk waardoor cliënten op dit onderdeel optimaal begeleid kunnen worden.
[1] Onder echtgenoot wordt ook geregistreerde partner verstaan – art. 4:8 BW
[2] Art. 4:13 BW
[3] Art. 4:182 lid 1 BW
[4] Art. 4:13 lid 3 BW
[5] Art. 4:13 lid 4 BW
[6] Art. 4:13 lid 3 BW
[7] Erfrecht Civiel en Fiscaal, Tekst en Commentaar 2024, p. 36
[8] Art. 4:19 BW
[9] Art. 4:20 BW
[10] Erfrecht Civiel en Fiscaal, Tekst en Commentaar 2024, p. 36
[11] Art. 4:21 BW
[12] Art. 4:22 BW
[13] Art. 3:81 BW
[14] Art. 4:23 BW
[15] Art. 4:13 lid 3b BW
[16] Art. 4:25 lid 4 BW
[17] Art. 1:100 lid 1 BW
[18] Art. 4:25 lid 6 BW
[19] Handboek Erfrecht 2020 5.1.1 p. 92
[20] Art. 4:25 lid 2 BW
[21] Art. 3:6 BW
[22] Art. 1:94 BW (oud)
[23] Art. 1:94 lid 2a BW (oud)
[24] Art. 1:94 lid 2a BW
[25] Art. 1:94 lid 3b BW
[26] Art. 1:94 lid 4 BW
[27] Art. 5.4 Wet IB 2001
[28] Art. 5.4 lid 3b Wet IB 2001
[29] Art. 4:25 lid 6 BW
[30] Art. 4:16 lid 1 BW
[31] Art. 4:25 lid 3 BW
[32] Art. 1 lid 7 Sw
[33] Gerechtshof Amsterdam - ECLI:NL:GHAMS:2017:1104, Rechtbank Den Haag - ECLI:NL:RBDHA:2023:18739, Rechtbank Den Haag ECLI:NL:RBDHA:2020:15488
[34] Art. 1167 BW (oud)
[35] Gerechtshof Amsterdam, 14 maart 2017 - ECLI:NL:GHAMS:2017:1104
[36] Art. 4:25 lid 5 BW
[37] Erfrecht Civiel en Fiscaal, Tekst en Commentaar 2024, p. 43 – Vijfde NvW, Parl. Gesch. BW Boek 4, p. 1637
Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.