Invulling zorgregeling volgens Rechtbank Midden-Nederland niet van invloed op duur partneralimentatie

9 september 2025

Invulling zorgregeling volgens Rechtbank Midden-Nederland niet van invloed op duur partneralimentatie

Sinds de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant in 2023 werd aangenomen dat de uitzonderingsbepaling van art. 1:157 lid 4 BW alleen gold voor de hoofdverzorgende ouder. De rechtbank Midden-Nederland kiest voor een andere uitleg.


Sinds de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant in 2023 werd aangenomen dat de uitzonderingsbepaling van art. 1:157 lid 4 BW alleen gold voor de hoofdverzorgende ouder. De rechtbank Midden-Nederland kiest voor een andere uitleg.

Hoe zat het ook alweer? 
Met ingang van 1 januari 2020 is de wettelijke duur voor partneralimentatie verkort van maximaal 12 jaar naar maximaal de helft van de duur van het huwelijk (geregistreerd partnerschap) met een maximum van 5 jaar (art. 1:157 lid 1 BW). Hierop gelden een aantal uitzonderingen:

  1. Als het huwelijk langer dan 15 jaren heeft geduurd en de alimentatiegerechtigde binnen 10 jaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, dan eindigt de partneralimentatie op het moment dat de alimentatiegerechtigde de AOW-leeftijd bereikt (art. 1:157 lid 2 BW).
  2. Als het huwelijk langer dan 15 jaren heeft geduurd en de alimentatiegerechtigde is geboren vóór of op 1 januari 1970, dan eindigt de partneralimentatie na 10 jaren (art. 1:157 lid 3 BW).
  3. Als er kinderen uit het huwelijk zijn geboren dan eindigt de alimentatieverplichting niet eerder dan op het moment dat het jongste kind 12 jaar wordt (art. 1:157 lid 4 BW).

In de praktijk bestond er onduidelijkheid over de vraag of de zorgverdeling tussen de alimentatieplichtige en alimentatiegerechtigde van invloed is op de toepassing van de uitzondering van lid 4.

In een eerste uitspraak besliste de Rechtbank Oost-Brabant in 2023 dat de uitzondering van art. 1:157 lid 4 BW geldt voor de situatie dat de alimentatiegerechtigde de zorg heeft voor jonge kinderen van de echtgenoten. Uit de wetsgeschiedenis leidt de rechtbank af dat hiermee wordt bedoeld zodanige zorg dat deze geacht wordt in de weg te staan aan het volledig benutten van het arbeidsvermogen. Dat zal zich met name voordoen als die zorg hoofdzakelijk bij de alimentatiegerechtigde berust. Omdat dit in de betreffende situatie niet het geval was, paste de rechtbank de hoofdregel toe met betrekking tot de duur van de partneralimentatie. De duur was in dat geval korter dan het moment waarop het kind 12 jaar zou worden.

Onlangs heeft Rechtbank Midden-Nederland een uitspraak gedaan over de uitzonderingsbepaling van art. 1:157 lid 4 BW, waarbij deze tot een andere conclusie komt dan Rechtbank Oost-Brabant.

Wat was er aan de hand? 

  • Maarten en Vera hebben gedurende 27 maanden een geregistreerd partnerschap met elkaar gehad.
  • Maarten en Vera hebben samen een kind dat is geboren in 2019.
  • In februari 2022 wordt het geregistreerde partnerschap tussen Maarten en Vera ontbonden.
  • Tot en met september 2023 is Vera de hoofdverzorgende ouder.
  • Vanaf 1 oktober 2023 delen Maarten en Vera de zorg voor hun kind (co-ouderschap).
  • Bij de scheiding wordt ten aanzien van de duur aangesloten bij artikel 1:157 lid 4 BW.

Maarten vindt dat, in lijn met de jurisprudentie uit 2023, de duur van de door hem verschuldigde partneralimentatie gelimiteerd moet worden, omdat de verzorging van hun minderjarige kind niet meer hoofdzakelijk bij Vera ligt. Er is sprake van co-ouderschap en dus van gedeelde zorg. Maarten vindt daarom dat de duur van de door hem verschuldigde partneralimentatie gelijk moet worden gesteld aan de duur zoals bepaald in de hoofdregel van de wet zonder toepassing van de uitzonderingsbepaling. In dat geval zou de duur van de partneralimentatie de helft van 27 maanden zijn. Vera is het hier niet mee eens. Volgens haar geldt de uitzonderingsregel waardoor zij recht heeft op partneralimentatie totdat hun kind de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt.

De rechtbank stelt Vera in het gelijk. Art. 1:157 lid 4 BW is nog steeds van toepassing, aldus de rechtbank. “De wettekst is dwingend geformuleerd en uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de invulling van de zorgregeling van invloed te laten zijn op de duur van de partneralimentatie. Het gaat om de vraag of er jonge kinderen in het spel zijn, niet om de mate van zorg die gegeven wordt.”

Belang voor de praktijk
De uitspraken van Rechtbank Oost-Brabant en Rechtbank Midden-Nederland laten zien dat er op dit moment geen eenduidige lijn bestaat in de toepassing van de uitzondering van art. 1:157 lid 4 BW. Waar Rechtbank Oost-Brabant oordeelt dat alleen sprake is van toepassing van de uitzondering van lid 4 als de alimentatiegerechtigde daadwerkelijk de hoofdverzorgende ouder is, komt Rechtbank Midden-Nederland tot een ruimere uitleg.

Het is dan ook wachten op een uitspraak van een gerechtshof (of uiteindelijk de Hoge Raad), zodat er meer duidelijkheid ontstaat voor de beroepspraktijk over de vraag wanneer de uitzondering kan worden ingeroepen. Tot die tijd zul je cliënten in vergelijkbare situaties moeten wijzen op de bestaande onzekerheid. In voorkomende gevallen verdient het aanbeveling het onderwerp expliciet op de agenda te zetten, met daarbij de toelichting dat rechtbanken hier verschillend tegenaan kijken.

Wil jij perfect op de hoogte blijven?

Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.

  • Wekelijkse verdieping en actualiteiten
  • PE Punten
  • Scheiden in de media
  • FAQ
  • Naslagwerken
  • Maandelijks opzegbaar
leeromgeving.descheidingsdeskundige.nl
De Scheidingsdeskundige
Scheidingsdeskundige Congres 2025