Investeringen gebruikt voor woning leiden tot nominaal vergoedingsrecht. Geen beleggingsleer!

3 februari 2026

Investeringen gebruikt voor woning leiden tot nominaal vergoedingsrecht. Geen beleggingsleer!


Bij vermogensverschuivingen is het van belang goed te kijken naar het moment waarop het vergoedingsrecht ontstaat. Daaruit kan namelijk afgeleid worden of de gelden rechtstreeks in een goed worden geïnvesteerd en of de beleggingsleer van toepassing is.

Inleiding - Theoretisch kader
Maarten en Vera zijn gehuwd in 2011 zonder dat zij huwelijksvoorwaarden hebben opgemaakt. Hierdoor is de oude wettelijke gemeenschap van goederen van toepassing op het huwelijk.[1] Maarten ontvangt tijdens het huwelijk een erfenis van zijn ouders van € 114.226 welke hij onder uitsluitingsclausule heeft verkregen. Dat geld heeft hij vervolgens op zijn privérekening, waar ook andere gelden op stonden, gestort. Dat geld is vervolgens geïnvesteerd in de woning. Op 2 juni 2023 laat Vera een verzoek tot echtscheiding indienen bij de rechtbank.

Vera en Maarten twisten over het wel of niet bestaan van een vergoedingsrecht en het wel of niet toepassen van de beleggingsleer. Je voelt hem al aankomen. Vera is van mening dat er überhaupt geen sprake is van een vergoedingsrecht omdat Maarten onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake was van een uitsluitingsclausule. Maarten stelt dat er wel een vergoedingsrecht is en dat de beleggingsleer toegepast moet worden omdat de gelden in de woning zijn geïnvesteerd. Op basis daarvan stelt Maarten het vergoedingsrecht vast op € 248.347.

Het Hof Den Haag overweegt en beslist
Het hof is van oordeel dat Maarten voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat hij een bedrag van € 114.226 onder uitsluiting heeft geërfd van zijn ouders en dat dit op zijn privérekening is gestort. Volgens het hof behoort deze privérekening tot de gemeenschap van goederen. Door de storting van de erfenis op deze bankrekening is de erfenis van de man door vermenging tot de gemeenschap van goederen gaan behoren. Dit brengt met zich mee dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap.[2] Er ontstaat op dat moment een nominaal vergoedingsrecht en niet een vergoedingsrecht op basis van de beleggingsleer. Wat er vervolgens met deze gelden is gebeurd en waaraan deze gelden zijn besteed, doet er niet toe.

Het is aan Vera om feiten en of omstandigheden in te brengen waarom er geen sprake is van een vergoedingsrecht. In de praktijk kun je aan de volgende argumenten denken:

  • Vera toont aan dat zij een afspraak had met Maarten dat er geen vergoedingsrecht zou zijn.
  • Vera toont aan dat de gemeenschap een even grote schuld heeft voldaan die onderdeel was van het privévermogen van Maarten.
  • Vera bewijst dat Maarten de geïnvesteerde gelden op grond van art. 1:84 BW ook echt moest betalen om te kunnen voorzien in de kosten van de huishouding omdat het (gezamenlijke) inkomen en (gezamenlijke) vermogen ontoereikend was om in de kosten van de huishouding te voorzien.[3]

Het lukt Vera niet zich op deze argumenten te beroepen waardoor een nominaal vergoedingsrecht wordt vastgesteld.

Belang voor de praktijk
We kunnen niet genoeg benadrukken dat je bij het vaststellen van vergoedingsrechten verschillende stappen dient te doorlopen:

  • Is er sprake van uitgesloten vermogen? Vraag daarbij altijd om onderliggende stukken zoals een schenkingsovereenkomst, bankafschrift of testament.
  • Wat is de juridische grondslag voor het vergoedingsrecht en wanneer ontstaat deze? Het is niet zo dat als er sprake is van een vermogensverschuiving of het mengen van geld dat er dan altijd een vergoedingsrecht ontstaat. Zeker niet zelfs! Onderzoek dus goed wat de juridische grondslag is.
  • Dient de beleggingsleer toegepast te worden?

In deze casus zien we dat het vergoedingsrecht al ontstaat op het moment dat het geld de “poorten” van de gemeenschap van goederen passeert. En dus niet op het moment dat het geld wordt aangewend ten behoeve van de woning. In de praktijk dienen situaties voorkomen te worden waarbij een vergoedingsrecht op basis van de beleggingsleer wordt vastgesteld omdat door cliënten wordt aangegeven dat het geld is gebruikt voor de woning. Het geld kan immers al eerder zijn vermengd waardoor het reeds onderdeel was van de gemeenschap. Dan geldt de nominaliteitsleer.

Het hof neemt in deze zaak aan dat de privérekening van de man, waar ook andere gelden op stonden, tot de gemeenschap van goederen behoort. Op basis van deze uitleg is het bij het verkrijgen van een schenking of een erfenis dus enorm belangrijk dat er een bankrekening is die volledig tot het privévermogen behoort. Op die manier kan de erfenis of schenking ook gescheiden geadministreerd blijven. Is er geen bankrekening die volledig tot het privévermogen behoort dan vindt er direct vermenging plaats met een nominaal vergoedingsrecht tot gevolg.

In de praktijk dient daarom nauwkeurig vastgesteld te worden wanneer en waardoor het vergoedingsrecht is ontstaan. Op basis daarvan kan vastgesteld worden wat de juridische grondslag is en of er sprake is van de beleggingsleer of dat het vergoedingsrecht op basis van het nominaliteitsbeginsel vastgesteld dient te worden.

Veel succes in de adviespraktijk!


[1] Art. 1:94 BW (oud)
[2] Art. 1:95 lid 2 BW en art. 1:96 lid 4 BW – Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504
[3] Hoge Raad 27-01-2023 – ECLI:NL:HR:2023:96

Wil jij perfect op de hoogte blijven?

Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.

  • Wekelijkse verdieping en actualiteiten
  • PE Punten
  • Scheiden in de media
  • FAQ
  • Naslagwerken
  • Maandelijks opzegbaar
leeromgeving.descheidingsdeskundige.nl
De Scheidingsdeskundige
Scheidingsdeskundige Congres 2026