7 april 2026
Na een opvallende uitspraak van de Rechtbank Amsterdam vorig jaar, waarin bij ex-samenwoners een verjaard vergoedingsrecht via de weg van verrekening toch ten gelde werd gemaakt, is het tijd voor nuancering. De Hoge Raad heeft zich inmiddels uitgesproken over verrekening en werpt nieuw licht op dit leerstuk.
Inleiding - Theoretisch kader
De Rechtbank Amsterdam paste vorig jaar het leerstuk van verrekening[1] toe bij de financiële afwikkeling van ex-samenwoners. Hierdoor stond de ex-partner met een verjaard vergoedingsrecht alsnog niet met lege handen. De (verjaarde) vordering van de partner aan wie de woning werd toebedeeld, werd verrekend met de uitkoopsom die hij aan zijn ex-partner moest betalen. Voor de volledige casus wordt verwezen naar het artikel dat hierover in Permanent Actueel verscheen: ‘Verjaard vergoedingsrecht via de weg van verrekening ten gelde gemaakt!’
Door deze uitspraak ontstaat de bijzondere situatie dat degene met een verjaard vergoedingsrecht een groot belang krijgt bij toedeling van de woning. Alleen dan kan het vergoedingsrecht alsnog ten gelde worden gemaakt, ongeacht hoe lang geleden zij is verjaard. De vergoedingsplichtige partner krijgt juist een tegenovergesteld belang: géén toedeling aan de partner met het vergoedingsrecht. Hiermee komt de verjaarde vordering immers definitief te vervallen en is er geen rechtsgrond voor verrekening. Deze uitkomst hebben wij altijd als moeilijk te rijmen met de systematiek van verjaring ervaren.
Uit een recente uitspraak van de Hoge Raad, die overigens niet ziet op een afwikkeling van een samenwoonrelatie of een scheiding, blijkt dat de Rechtbank Amsterdam het leerstuk van verrekening mogelijk te ruim heeft toegepast.
De Hoge Raad overweegt: ‘Art. 6:131 lid 1 BW bepaalt dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering. De ratio van deze bepaling is dat degene die tot verrekening bevoegd is, zich veelal reeds als bevrijd zal beschouwen en pas aan het afleggen van de in art. 6:127 lid 1 BW bedoelde verrekeningsverklaring zal denken wanneer de schuldeiser hem aanspreekt tot nakoming van de verbintenis. De bepaling laat een bestaande verrekeningsbevoegdheid dus voortbestaan na het moment waarop de in verrekening te brengen vordering verjaart, maar schept niet een bevoegdheid tot verrekening van een reeds verjaarde vordering met een na de voltooiing van de verjaring ontstane schuld. Voor laatstbedoeld geval geldt onverkort het vereiste, opgenomen in art. 6:127 lid 2 BW, dat degene die zich op verrekening wil beroepen, bevoegd is tot het afdwingen van de betaling van de vordering waarmee hij zijn schuld wil verrekenen. Het oordeel van het hof dat op grond van art. 6:131 BW de verjaring van een vordering er niet aan in de weg staat dat de schuldeiser die vordering verrekent met een tegenvordering die zijn wederpartij op hem heeft of krijgt, is derhalve in zijn algemeenheid onjuist.’
Met andere woorden: een verjaarde vordering kan niet worden verrekend met een schuld die pas ná het intreden van de verjaring is ontstaan.
De vraag is wat deze nuancering betekent voor de verdeling van de woning bij het einde van een relatie, wanneer een verjaard vergoedingsrecht een rol speelt.
Voorbeeld
Maarten en Vera hebben jarenlang samengewoond. Bij de aankoop van de woning in 2004 heeft Maarten de volledige koopsom voldaan, terwijl de woning voor 90% op zijn naam en voor 10% op naam van Vera is gesteld. Hierdoor is een vergoedingsrecht van Maarten op Vera ontstaan. Hierover zijn zij het eens.
De relatie eindigt jaren later in 2013. Op dat moment is de vordering van Maarten inmiddels verjaard. Hij heeft de verjaring niet gestuit. Maarten en Vera verschillen van mening over de afwikkeling van hun samenleving, maar uiteindelijk wordt de woning aan Maarten toebedeeld. Als gevolg daarvan ontstaat voor Maarten een verplichting om Vera uit te kopen voor haar aandeel in de woning.
Maarten beroept zich op verrekening en stelt dat hij zijn verjaarde vergoedingsrecht kan wegstrepen tegen de uitkoopsom die hij aan Vera moet betalen. Onder de lijn van de Rechtbank Amsterdam zou dit mogelijk zijn: de verrekeningsbevoegdheid blijft immers bestaan, ook na verjaring.
De recente uitspraak van de Hoge Raad brengt hierin echter een belangrijke nuancering aan. De schuld van Maarten aan Vera, de uitkoopsom, ontstaat pas op het moment van verdeling in 2013. Dat is (ruim) ná het moment waarop de vordering van Maarten is verjaard. In dat geval ontbreekt de vereiste samenloop van vordering en schuld en kan geen beroep op verrekening worden gedaan.
Dit betekent dat Maarten zijn verjaarde vergoedingsrecht niet alsnog ten gelde kan maken via verrekening en de uitkoopsom volledig aan Vera moet voldoen.
Belang voor de praktijk
De afwikkeling van vergoedingsrechten bij ex-samenwoners blijft in de praktijk zeer complex. De jurisprudentie laat geen eenduidige lijn zien, met name waar het gaat om de combinatie van vergoedingsrechten en verjaring. Dit maakt dat professionals zich terughoudend moeten opstellen bij het beoordelen van zowel het bestaan van een vergoedingsrecht als de vraag of dit nog ten gelde kan worden gemaakt.
De eerste en meest fundamentele vraag is steeds of er überhaupt een juridische grondslag bestaat voor een vergoedingsrecht. Anders dan bij gehuwden en geregistreerde partners ontbreekt bij samenwoners een wettelijke regeling, waardoor moet worden teruggevallen op de criteria uit het arrest van de Hoge Raad van 10 mei 2019.[2]
Daaruit volgt dat achtereenvolgens moet worden beoordeeld[3]:
Daarnaast kunnen vorderingen ontstaan als bij een gezamenlijke schuld waarvoor beide partners hoofdelijk aansprakelijk zijn meer van zijn of haar aandeel in de schuld voldoet dan dat diegene op grond van zijn of haar draagplicht had moeten doen.[4]
In de bemiddelingspraktijk blijft de beoordeling vaak beperkt tot de eerste twee stappen en zijn partijen in belangrijke mate afhankelijk van hun onderlinge overeenstemming.
Indien wordt vastgesteld dat een vergoedingsrecht is ontstaan, komt vervolgens het leerstuk van verjaring in beeld. Bij samenwoners verjaart een vergoedingsrecht in beginsel vijf jaar nadat het opeisbaar is geworden.[5] Bij gebreke van afwijkende afspraken is dat doorgaans direct na het moment van betaling.
De recente uitspraak van de Hoge Raad laat zien dat er nog een belangrijk aandachtspunt speelt. Niet alleen het bestaan en de verjaring van een vergoedingsrecht zijn van belang, maar ook het moment waarop een tegenvordering/schuld ontstaat. Verrekening is slechts mogelijk voor zover de tegenvordering (de schuld) is ontstaan vóór het intreden van de verjaring van de oorspronkelijke vordering. Daarmee wordt de ruimte om een verjaard vergoedingsrecht alsnog via verrekening te benutten een stuk beperkter.
[1] Art. 6:127 BW jo. Art. 6:131 BW
[2] Hoge Raad 10 mei 2019 - ECLI:NL:HR:2019:707
[3] Samenwonen, verbouwing betalen, recht op vergoeding? Hof Amsterdam 11 juni 2024 – Jasper Horsthuis (Permanent Actueel)
[4] Art. 6:10 BW
[5] Art. 3:310 lid 1 BW
Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.