Het hof Arnhem-Leeuwarden geeft op 6 juli 2023 duidelijkheid over voorhuwelijks vergoedingsrecht

5 september 2023

Het hof Arnhem-Leeuwarden geeft op 6 juli 2023 duidelijkheid over voorhuwelijks vergoedingsrecht

Vakartikel Sinds de invoering van het nieuwe huwelijksgoederenrecht op 1 januari 2018 bestaat er onzekerheid over de gevolgen van voorhuwelijkse vergoedingsrechten. Op basis van de wettekst zou (een deel van) het vergoedingsrecht kunnen verdampen. Het Hof Arnhem Leeuwarden vindt dat niet redelijk en legt uit.


Sinds de invoering van het nieuwe huwelijksgoederenrecht op 1 januari 2018 bestaat er onzekerheid over de gevolgen van voorhuwelijkse vergoedingsrechten. Op basis van de wettekst zou (een deel van) het vergoedingsrecht kunnen verdampen. Het Hof Arnhem Leeuwarden vindt dat niet redelijk en legt uit.

Wat was er aan de hand?
Op 1 juni 2018 hebben Maarten en Vera een woning gekocht voor € 275.000. Beiden 50% eigendom. Vera investeert bij de verwerving € 10.335 welke afkomstig is uit een schenking met uitsluitingsclausule. Op 3 oktober 2019 gaan Maarten en Vera een geregistreerd partnerschap aan zonder daarbij partnerschapsvoorwaarden op te stellen. Hierdoor geldt het wettelijke stelsel van na 1 januari 2018. Maarten en Vera gaan nu scheiden en verkopen de woning met overwaarde. Ze twisten over hun verwachtingen met betrekking tot de investering van Vera.

Zienswijze Maarten
Maarten stelt dat door het geregistreerd partnerschap de woning tot de wettelijke (beperkte) gemeenschap van goederen is gaan behoren. Hij beroept zich in dat kader op artikel 1:94 lid 2 BW. Bij ontbinding van het geregistreerd partnerschap zijn partijen ieder voor 50% gerechtigd tot de ontbonden gemeenschap.[1] Er is volgens hem in zijn geheel geen sprake van een vergoedingsrecht van Vera op hem of op de gemeenschap. Dat zou volgens Maarten op grond van artikel 1:87 BW anders zijn als Vera tijdens het geregistreerd partnerschap de schenking van haar moeder zou hebben geïnvesteerd in de woning. Daarom vindt Maarten dat de overwaarde van de woning bij helfte moet worden verdeeld zonder rekening te houden met een vergoedingsrecht.

Zienswijze Vera
Vera voert aan dat de door haar ontvangen schenking van € 10.335 is verkregen onder een uitsluitingsclausule. Zij vindt dat zij wel degelijk een vergoedingsrecht heeft. Vera beroept zich op de intentie van de wetgever en stelt dat beoogd is in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geïnvesteerde voorhuwelijks vermogen privé te houden. Vera beroept zich op diverse passages uit de Memorie van Toelichting en stelt dat uitdrukkelijk ten aanzien van artikel 1:94 lid 2 BW de belangrijkste aanpassing omvat: “Voorhuwelijkse goederen en voorhuwelijkse schulden vallen buiten de gemeenschap.” Daarnaast is onder a van dit artikel ook een aanpassing opgenomen: ”Krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift verkregen goederen vallen niet in de gemeenschap.”

Oordeel van het Hof
Het staat vast dat Vera in de woning heeft geïnvesteerd met geld dat afkomstig was van een schenking onder een uitsluitingsclausule. Omdat deze investering in de samenwoonperiode is gedaan heeft Vera volgens het hof in beginsel een vergoedingsrecht van € 5.117,50[2], op Maarten. Uit de literatuur blijkt dat er verschillende opvattingen zijn over de vraag of Vera in de gegeven omstandigheden na het ontstaan van de beperkte gemeenschap nog aanspraak kan maken op een vergoeding. Volgens het hof heeft de wetgever niet voorzien in de situatie waarin sprake is van een vóór het aangaan van een geregistreerd partnerschap onder een uitsluitingsclausule ontvangen schenkingsbedrag dat vervolgens is geïnvesteerd in een voorafgaand aan dat partnerschap aangekochte gezamenlijke woning. Hierdoor is er sprake van een leemte in de wet. Het hof zal deze leemte met inachtneming van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid opvullen in de geest van de bedoeling van de wetgever. Naar het oordeel van het hof past in het uitgangspunt van de wetgever bij het nieuwe artikel 1:94 BW om (toegesneden op de maatschappelijke behoefte) de noodzaak tot het aangaan van huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden te beperken, dat de vóór het geregistreerd partnerschap bestaande vordering van Vera ten bedrage van € 5.117,50 op Maarten, door het ontstaan van de gemeenschap niet wordt geraakt en tot het privévermogen van Vera is blijven behoren. Anders zouden partijen alleen om een dergelijke vordering niet teniet te laten gaan verplicht zijn om partnerschapsvoorwaarden overeen te komen.

De conclusie moet dan ook luiden dat Vera het gehele bedrag van € 10.335 aan de overwaarde kan onttrekken voordat deze gelijkelijk wordt verdeeld.

Analyse de Scheidingsdeskundige en belang voor de praktijk
In onze ogen gaat het Hof voorbij aan de grondslagen voor het bestaan van het vergoedingsrecht tijdens de samenwoonperiode. Daar zou dit vraagstuk in onze ogen mee moeten beginnen. In de lijn van de redenatie van het Hof heeft Vera tijdens de samenwoonperiode een vordering van € 5.117,50 op Maarten.

Door het sluiten van het geregistreerd partnerschap na 1 januari 2018 (zonder het opmaken van voorwaarden), blijft deze vordering van Vera privé. De schuld van Maarten aan Vera van € 5.117,50 bestond weliswaar al op het moment van het sluiten van het geregistreerd partnerschap maar ziet op een gemeenschappelijk goed (de woning). De draagplicht van de schuld wordt hierdoor in de gemeenschap getrokken. Dat leidt ertoe dat Vera voor 50% draagplichtig wordt voor een schuld waarvan de draagplicht eerder uitsluitend bij Maarten lag. Van de oorspronkelijke investering van € 10.335 krijgt Vera dan slechts € 7.676,25 terug (€ 5.117,50 + 50% * € 5.117,50). Deze uitleg die zowel door de wettekst wordt gegeven als wordt bevestigd door de parlementaire geschiedenis voelt wat ons betreft onrechtvaardig. Een deel van het vergoedingsrecht zou dan immers verdampen. Die uitkomst vindt het hof blijkbaar ook niet rechtvaardig. Daarom krijgt Vera haar volledige inbreng van € 10.335 terug.


De Scheidingsdeskundige biedt diverse opleidingen omtrent het relatievermogensrecht met aandacht voor de complexe maar voor de scheidingspraktijk o zo belangrijke leer van de vergoedingsrechten: zoals bij voorbeeld Masterclass Actualiteiten Relatievermogensrecht of Knelpunten nieuw huwelijksvermogensrecht.


[1] Art. 1:100 lid 1 BW
[2] Het Hof maakt hier een rekenfoutje: de helft van € 10.335 is € 5.167,50

Wil jij perfect op de hoogte blijven?

Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.

  • Wekelijkse verdieping en actualiteiten
  • PE Punten
  • Scheiden in de media
  • FAQ
  • Naslagwerken
  • Maandelijks opzegbaar
leeromgeving.descheidingsdeskundige.nl
De Scheidingsdeskundige
Scheidingsdeskundige Congres 2025