2 april 2024

Halveert een voorhuwelijks vergoedingsrecht dat betrekking heeft op een gezamenlijke woning nu wel of niet als je trouwt na 1 januari 2018? Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is duidelijk en consequent in haar uitspraak van 27 februari 2024.
Auteur: Drs. J.O. (Jasper) Horsthuis
➡️ De Scheidingsdeskundige is een een kennis- en opleidingscentrum voor professionals die betrokken zijn bij het scheidingsproces. Wij hebben maar 1 doel: Het verbeteren van de kwaliteit van scheidingsbegeleiding in Nederland!
🗞️ Wekelijks delen wij door ons geselecteerde relevante ontwikkelingen of verdieping. Wij vatten de essentie voor je samen en vertalen dit naar jouw praktijk. Ieder artikel bevat bronnen voor als je verder wilt lezen. Ook krijg je tips. Een artikel sluit af met een prikkelende stelling of vraag. Op die manier maken we het bijhouden van kennis efficiënt, inspirerend en praktijkgericht!
👍 Heb je een abonnement op Permanent Actueel of Praktijkondersteuning? Dan lees je dit artikel kosteloos via jouw persoonlijke leeromgeving.
💡 Nog geen abonnement? Ervaar nu zelf het gemak van Permanent Actueel met een gratis proefabonnement en blijf eenvoudig up-to-date over ontwikkelingen in de scheidingspraktijk: Lees het gehele artikel met een gratis proefabonnement!
Vind je dit artikel interessant voor jouw collega of netwerk?
Deel dit dan via onderstaande link:
Halveert een voorhuwelijks vergoedingsrecht dat betrekking heeft op een gezamenlijke woning nu wel of niet als je bent getrouwd na 1 januari 2018? Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is duidelijk en consequent in haar uitspraak van 27 februari 2024.
Inleiding - Theoretisch kader
Sinds de invoering van de nieuwe (beperkte) gemeenschap van goederen, die geldt voor huwelijken gesloten na 1 januari 2018, leeft de vraag of een voorhuwelijks vergoedingsrecht dat betrekking heeft op een gezamenlijke woning halveert door het sluiten van het huwelijk.
Hoe zit het ook alweer?
Maarten en Vera wonen samen en kopen een woning in een gelijke eigendomsverhouding. Samen sluiten zij een hypotheek en Maarten voldoet € 80.000 euro uit eigen middelen. Maarten en Vera komen overeen dat hiervoor een vergoedingsrecht ontstaat van € 40.000. Ingegeven door emoties, symboliek en zonder goede voorlichting besluiten zij in 2018 in het huwelijksbootje te stappen. Er worden geen huwelijkse voorwaarden opgesteld.
Wat gebeurt er nu volgens de nieuwe wettelijke bepalingen?
Maarten heeft een voorhuwelijkse vordering op Vera die onderdeel blijft van zijn privévermogen. De schuld van Vera aan Maarten wordt op grond van artikel 1:94 lid 7 BW in de gemeenschap getrokken. Omdat de gemeenschap nu draagplichtig is geworden voor deze verplichting halveert het vergoedingsrecht van Maarten. Het is de vraag of dit aansluit op de verwachtingen van echtgenoten.
In de praktijk leidt deze uitleg geregeld tot juridische procedures.
Deze uitspraken staan haaks op de uitleg van de wettekst en kamerstukken waarin met een voorbeeld wordt uitgelegd dat de schuld wel in de gemeenschap valt. Hierdoor rijst de vraag hoe in de praktijk omgegaan moet worden met voorhuwelijkse vergoedingsrechten. Dien je als professional jouw klanten te informeren op basis van de wettekst of juist op basis van de afwijkende jurisprudentie?
Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft nu een nieuwe zaak behandeld. In dit geval ging het om grote bedragen en waren de gelden in tegenstelling tot de uitspraak van 6 juli 2023 niet afkomstig uit een schenking of erfenis met uitsluitingsclausule.
De situatie in het kort:
Man en vrouw zijn ongehuwd en kopen in op 9 juni 2017 een woning in een gelijke eigendomsverhouding. De man voldoet de volledige aankoopsom van de woning van € 383.769. Daarnaast wordt een hypotheek aangegaan voor een verbouwing. De vrouw lost vervolgens € 65.000 af op deze hypotheek uit de overwaarde van haar vorige woning. Het stel trouwt in 2018 zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden.
Het hof overweegt inzake het vergoedingsrecht van de man:
De man en vrouw waren beiden voor de helft draagplichtig voor de schuld die betrekking had op het aankopen van de woning. Omdat de man de gehele koopsom van de gezamenlijke woning heeft betaald en daarmee ook het deel waar de vrouw draagplichtig voor was heeft hij een vergoedingsrecht op de vrouw ter hoogte van de helft van zijn investering van € 383.769 te weten: € 191.884.
De vordering van de man is niet in de gemeenschap gevallen omdat het voorhuwelijks privévermogen van de man betreft.
Partijen verschillen van mening of de schuld van de vrouw, die samenhangt met het vergoedingsrecht van de man, ook buiten de gemeenschap is gebleven. De man stelt dat dit het geval is. De vrouw beroept zich op de wettekst en de kamerstukken en stelt dat haar schuld aan de man een schuld is betreffende een goed dat voor het sluiten van het huwelijk al gemeenschappelijk was en dat die schuld daarom op grond van artikel 1:94 lid 7 BW tot de gemeenschap is gaan behoren.
Het hof is van oordeel dat de schuld van de vrouw van € 191.884 niet in de gemeenschap is gevallen en legt uit waarom. De uitleg van de wettekst in de kamerstukken waarin staat geschreven dat een privéschuld die ziet op een gezamenlijk goed in de gemeenschap valt, komt het hof niet juist voor.
Deze uitleg laat zich namelijk niet goed rijmen met andere opmerkingen uit de wetstoelichting. Zo vermeldt de parlementaire geschiedenis dat het bij schulden betreffende voorhuwelijkse gemeenschapsgoederen concreet gaat om schulden van vóór het huwelijk die zijn aangegaan ten behoeve van de eenvoudige gemeenschap. De onderlinge schuld is echter geen schuld die ten behoeve van de gemeenschap, en dus ten behoeve van beide deelgenoten is aangegaan, maar juist ten behoeve van één van hen (het deel van de woning van de vrouw).
In de literatuur wordt eveneens bepleit dat de schuld aan de deelgenoot die meer heeft ingebracht niet kwalificeert als een schuld betreffende voorhuwelijkse gemeenschapsgoederen in de zin van art. 1:94 lid 7 BW en daarom, net zoals de vordering van de deelgenoot die meer heeft ingebracht, niet tot de gemeenschap behoort. Het hof sluit zich bij die opvatting aan. Dit betekent dat de schuld van de vrouw aan de man niet in de gemeenschap is gevallen.
Het hof overweegt inzake het vergoedingsrecht van de vrouw:
Het hof is van oordeel dat zowel de vordering van de vrouw op de man, als de daarmee samenhangende schuld van de man aan de vrouw van € 32.500 (de helft van haar investering in de aflossing van de lening die betrekking heeft op de verbouwing) niet in de gemeenschap is gevallen. Als de schuld van de man aan de vrouw op grond van artikel 1:94 lid 7 BW tot de beperkte gemeenschap zou gaan behoren, heeft dit tot gevolg dat het vergoedingsrecht van de vrouw voor de helft vermindert. Naar de opvatting van het hof heeft de wetgever deze uitkomst niet voor ogen gehad. Het overgrote deel van de echtgenoten zal niet weten en niet wensen dat het aangaan van een huwelijk zonder het maken van huwelijkse voorwaarden tot dit gevolg zal leiden. De wetgever heeft juist gemeend met de invoering van de beperkte gemeenschap van goederen de noodzaak tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden te verminderen. Op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en de billijkheid dient de schuld van de man aan de vrouw buiten het bereik van de beperkte gemeenschap te blijven.
Door deze uitspraak is het duidelijk dat bij vóór huwelijkse vergoedingsrechten geen uitsluitingsclausule nodig is om te voorkomen dat deze zou halveren doordat de schuld van het privévermogen overgaat naar de gemeenschap.
Analyse de Scheidingsdeskundige
In eerdere publicaties hebben wij al aangegeven dat wij niet enthousiast zijn over de uitleg van de wettekst. Wij kunnen het ons, net als het Hof, niet voorstellen dat echtgenoten deze uitkomst voor ogen hebben gehad. Vanuit die gedachte zijn wij tevreden met de gerechtelijke uitspraken die tot nu toe zijn gedaan.
Wij hopen dat de Hoge Raad zich (op korte termijn) zal uitlaten over dit vraagstuk. Hierdoor wordt eventuele onzekerheid over de uitleg van voorhuwelijkse vergoedingsrechten definitief weggenomen.
Belang voor de praktijk
De nieuwe gemeenschap van goederen brengt met zich mee dat al het vóór huwelijkse vermogen (tenzij dat gezamenlijk is) buiten de gemeenschap blijft. Ook schenkingen en erfenissen ongeacht of daar een uitsluitingsclausule op van toepassing is, blijven privé. Hierdoor zal er in de toekomst steeds meer discussie ontstaan over het bestaan van eventuele (voorhuwelijkse) vergoedingsrechten.
Met de recente jurisprudentie in het achterhoofd is het wat ons betreft passend om voorbij te gaan aan de strikte uitleg van de wettekst die leidt tot halvering van het vergoedingsrecht. Dit sluit immers aan bij de uitleg van de rechtspraak.
Zoals gezegd hopen wij dat de Hoge Raad zich op (korte) termijn zal buigen over dit vraagstuk. Zoals je gewend bent zullen wij je hierover informeren.
| De Scheidingsdeskundige biedt diverse opleidingen over dit boeiende maar complexe thema:
Vermogensafwikkeling en scheiden (incl. actualiteiten) Leergang Register Erkend Scheidingsadviseur® (RES) Knelpunten nieuw huwelijksvermogensrecht |
Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.