Geen vergoedingsrecht door aflossen overbruggingshypotheek en inbreng spaarpolis

2 december 2025

Geen vergoedingsrecht door aflossen overbruggingshypotheek en inbreng spaarpolis


Op 30 januari 2024 publiceerden wij het artikel “Hoge Raad buigt zich over vergoedingsrechten bij samenwoners”. In dat arrest besliste de Hoge Raad dat het Hof Den Bosch ten onrechte vergoedingsrechten had toegekend en daarnaast geen rekening had gehouden met een verjaringstermijn. De Hoge Raad verwees de zaak daarom terug naar het Hof Arnhem-Leeuwarden met het verzoek de zaak opnieuw te behandelen. Het Hof Arnhem-Leeuwarden doet nu uitspraak en geeft 7 jaar na relatiebeëindiging eindelijk antwoord op de vraag of er wel of geen sprake is van een vergoedingsrecht en of er sprake was van verjaring.

Wat was er ook alweer aan de hand?
Maarten en Vera hebben een lange periode informeel samengewoond. Ze hadden ieder een woning die tot hun privévermogen behoorde. In 2003 kopen zij samen een woning waarvoor zij gezamenlijk een hypotheek aangaan met een overbruggingsfinanciering van € 214.000. Aan de hypotheek wordt een spaarpolis gekoppeld die eerder tot het vermogen van Maarten behoort. Deze spaarpolis is in 1998 afgesloten door Maarten. Op het moment van aankopen van de gezamenlijke woning wordt deze verzekering omgezet in een polis waarop Maarten en Vera beiden verzekeringsnemer zijn. Op het moment van omzetten in 2003 bedraagt de waarde van de polis € 40.232.

Maarten verkoopt in 2004 zijn woning en lost met de opbrengst de overbruggingsfinanciering af. In 2015 wordt een samenlevingsovereenkomst opgesteld die geen bepalingen over vergoedingsrechten bevat.

Maarten en Vera gaan in 2018 uit elkaar. Maarten woont nog in de woning en komt overeen met Vera dat hij de woning overneemt. Maarten en Vera verschillen van mening over de vraag of een vergoedingsrecht is ontstaan in verband met de aflossing en het omzetten van de polis. Ze komen er samen niet uit en raken verwikkeld in een juridische procedure.

Zienswijze Maarten:

  • Maarten heeft een vordering op Vera in verband met de aflossing van de overbruggingsfinanciering van € 214.000. Vera dient Maarten € 107.000 te betalen.
  • Maarten stelt dat de waarde van de spaarpolis eerst voor € 40.232 aan hem moet toekomen waarna het resterende saldo bij helfte gedeeld kan worden.

Zienswijze Vera:

  • Geen vergoedingsrecht voor aflossing van de overbruggingsfinanciering van € 214.000 door Maarten. Er is geen overeenkomst waarin een vergoedingsrecht is overeengekomen. Er is ook geen andere rechtsgrond voor een vergoedingsrecht.
  • Als er al een vordering zou zijn dan was deze volgens haar opeisbaar in 2004 en verjaard in 2009.
  • Vera stelt dat de waarde van de spaarpolis aan hen beiden voor de helft toekomt.

De rechtbank Oost-Brabant - 25 maart 2020 

  • Maarten dient Vera bij het overnemen van de woning de helft van de waarde van de woning minus de hypotheek te vergoeden. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de aflossing van de overbruggingslening door Maarten van € 214.000.
  • De spaarpolis dient bij helfte verdeeld te worden. Maarten heeft geen vergoedingsrecht in verband met de inbreng van de polis uit zijn privévermogen.

Hof Den Bosch - 23 november 2021
Maarten gaat tegen de uitspraak van de rechtbank in beroep. Het hof beslist dat Maarten wel recht heeft op terugbetaling van € 214.000. Daarnaast heeft Maarten ook recht op vergoeding van € 40.232 in verband met de spaarpolis. Het beroep van de Vera op verjaring slaagt volgens het Hof ook niet. Vera heeft volgens heft Hof nagelaten duidelijk te maken vanaf welk moment een mogelijke verjaring zou zijn gaan lopen.

Vera gaat in cassatie bij de Hoge Raad. Zij stelt dat het hof op basis van de verkeerde juridische bronnen tot haar oordeel is gekomen. Het hof heeft uit deze arresten ten onrechte afgeleid dat Maarten een vergoedingsrecht heeft op de eenvoudige gemeenschap in verband met de aflossing van de hypotheek en de investering in de spaarpolis. Daarnaast is er volgens haar sprake van verjaring en heeft zij dit voldoende onderbouwd door te stellen dat de vordering in 2004 opeisbaar was en dat deze, 5 jaar later, in 2009 verjaard is.

Hoge Raad - 17 november 2023
De wet kent geen regeling voor vergoedingsrechten van samenwoners. Het hof heeft volgens de Hoge Raad ten onrechte een vergoedingsvordering afgeleid uit aangehaalde juridische bronnen. Het oordeel van het Hof Den Bosch, dat Vera heeft nagelaten duidelijk te maken vanaf welk moment een mogelijke verjaring is gaan lopen, is volgens de Hoge Raad onbegrijpelijk omdat de Vera haar beroep op verjaring voldoende heeft geconcretiseerd. Zij heeft immers gesteld dat als er al een vordering was die in 2004 is ontstaan en in 2009 zou zijn verjaard.

De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het Hof Arnhem Leeuwarden voor verdere behandeling.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (verwijzingshof) – 21 oktober 2025
Het hof zal eerst beoordelen of er een grondslag is voor een vergoedingsrecht. Dat zal het hof doen langs de bekende lijn van de uitspraak van de Hoge Raad van 10 mei 2019 en Hoge Raad 21 maart 2025. Daarna zal het hof ingaan op de vraag of er sprake is van verjaring.

Essentie Hoge Raad 10 mei 2019 en 21 maart 2025:

  • Vergoedingsrechten tussen samenwoners kunnen niet ontstaan op grond van artikel 1:87 lid 1 BW omdat dit artikel uitsluitend voor gehuwden en geregistreerde partners geldt.
  • Vergoedingsrechten kunnen ontstaan doordat afspraken zijn vastgelegd in een (vormvrije) overeenkomst.
  • Vorderingen kunnen ontstaan door onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking – art. 6:203 BW respectievelijk 6:212 BW.
  • Vorderingen kunnen ontstaan op grond van redelijkheid en billijkheid – art. 6:2 BW.
  • Vorderingen kunnen ontstaan op het moment dat de ene partner een schuld waarvoor de andere partner mede hoofdelijk aansprakelijk was voldoet – art. 6:10 BW.

Het hof ziet in verband met het de aflossing van de overbruggingshypotheek door Maarten een juridische rechtsgrond voor een vordering in artikel 6:10 BW. Deze zogenaamde regresvordering is een schadevergoedingsvordering die verjaart door verloop van vijf jaren. [1] Deze verjaringstermijn begint in principe te lopen op de dag nadat deze vordering opeisbaar is geworden.[2]

Maarten heeft onvoldoende onderbouwd dat partijen een ander moment van opeisbaarheid zijn overeengekomen zoals het moment van verbreken van de relatie. In dat geval was de verjaringstermijn pas vanaf dat moment gaan lopen.[3] Het beroep van Maarten op de zogenaamde verlengde verjaringstermijn, die bepaalt dat vorderingen tijdens het huwelijk niet kunnen verjaren, slaagt ook niet omdat dit alleen voor gehuwden en geregistreerde partners geldt.[4]

Met betrekking tot het omzetten van de spaarverzekering ziet het hof geen juridische rechtsgrond. Als deze er wel geweest zou zijn dan zou de vordering in verband met bovengenoemde ook verjaard zijn.

De eindconclusie is dat Maarten de helft van zijn investeringen in geld en poliswaarde, door de in het verleden gemaakte keuzes, verliest ten gunste van Vera.

Belang voor de praktijk
Uit deze uiteenzetting vanaf de Rechtbank, Hof Den Bosch, de Hoge Raad en tot slot het Hof Arnhem Leeuwarden blijkt dat het thema vergoedingsrechten enorm uitdagend is voor alle partijen (scheidingsconsument, professionals, rechtspraak).

Vastgesteld kan worden dat ongeacht de relatievorm het verschuiven/vermengen van vermogen aan de orde van de dag is. In de scheidingspraktijk zal dit in zeer veel gevallen dan ook aandacht vragen. Als professional dien je, ondanks alle onzekere aspecten, cliënten te informeren over de juridische kaders die gelden voor vergoedingsrechten. Naast de juridische kaders van vergoedingsrechten dient ook aandacht te worden geschonken aan het leerstuk van de verjaring. Alleen op deze manier kunnen cliënten goed geïnformeerd tot keuzes komen.

Uit deze uitspraak blijkt nog maar weer eens het grote belang van het vastleggen van afspraken over vermogensverschuivingen tijdens een relatie. Vanuit de Scheidingsdeskundige hebben wij hiervoor de speciale toolkit: “Vastleggen vergoedingsrechten” ontwikkeld. Deze toolkit is te vinden in onze kennisbibliotheek.


[1] Art. 3:310 lid 1 BW
[2] HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784
[3] Art. 6:38 BW
[4] Art. 3:321 lid 1a en g BW

Wil jij perfect op de hoogte blijven?

Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.

  • Wekelijkse verdieping en actualiteiten
  • PE Punten
  • Scheiden in de media
  • FAQ
  • Naslagwerken
  • Maandelijks opzegbaar
leeromgeving.descheidingsdeskundige.nl
De Scheidingsdeskundige
Scheidingsdeskundige Congres 2026