1 juni 2025
Een erfenis met uitsluitingsclausule valt buiten een gemeenschap van goederen. Maar wat gebeurt er als die erfenis bestaat uit de helft van een woning en de erfgenaam het andere aandeel overneemt? Behoort de woning dan tot de gemeenschap of tot het privévermogen?
Een erfenis met uitsluitingsclausule valt buiten een gemeenschap van goederen. Maar wat gebeurt er als die erfenis bestaat uit de helft van een woning en de erfgenaam het andere aandeel overneemt? Behoort de woning dan tot de gemeenschap of tot het privévermogen?
De praktijksituatie
Een man en vrouw zijn gehuwd in 2002. Er zijn geen huwelijkse voorwaarden opgesteld. De moeder van de man komt in 2010 te overlijden. Haar twee zoons zijn haar erfgenamen (de man en zijn broer). De man is als erfgenaam gerechtigd tot de helft van een woning. Zijn broer tot de andere helft. De woning heeft een waarde van € 400.000. Er is geen hypothecaire geldlening. Op de nalatenschap is een uitsluitingsclausule van toepassing.
De man komt in 2010 met zijn broer overeen dat hij de helft van de uit de nalatenschap verkregen woning van zijn broer overneemt. Voor de financiering hiervan gaat hij samen met zijn echtgenote een geldlening aan. De hoofdsom van de geldlening bedraagt € 200.000. Na verwerving van de woning gaan de man en de vrouw hier ook wonen.
De man en vrouw gaan scheiden in 2022. De waarde in het economische verkeer van de woning is op dit moment € 700.000. De hoofdsom van de hypotheek bedraagt op dat moment nog € 140.000.
De vrouw stelt dat de helft van de woning in de gemeenschap is gevallen. Deze is immers niet onder uitsluiting verkregen. Daarbij zijn zij beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de geldlening. Volgens de vrouw heeft zij recht op € 105.000 (50%* (350.000 – 140.000)).
Volgens de man is het verkrijgen van het deel van zijn broer onderdeel van de nalatenschap waarop de uitsluitingsclausule van toepassing is. Hierdoor blijft de woning buiten de gemeenschap van goederen. De geldlening behoort volgens de man wel tot de gemeenschap.
Uitleg en belang voor de praktijk
De man en de vrouw zijn voor 1 januari 2018 gehuwd zonder huwelijkse voorwaarden. Op de gemeenschap van goederen is het oude recht van toepassing. De man is gerechtigd tot een onverdeeld aandeel in de nalatenschap. Er is sprake van een uitsluitingsclausule. Op grond van art. 1:94 lid 2a BW (oud) valt deze verkrijging niet in de gemeenschap. Vervolgens wordt het huis tussen de broers verdeeld. De man verkrijgt het huis als erfgenaam. De draagplicht van de geldlening die de man samen met de vrouw is aangegaan behoort tot zijn privévermogen op grond van art. 1:94 lid 5a BW (oud). Dat de vrouw aansprakelijk is voor de geldlening doet daar niets aan af.
Voor zover de gemeenschap heeft bijgedragen aan de aflossing van de geldlening die onderdeel is van het privévermogen van de man heeft de gemeenschap een vordering op het privévermogen van de man. Dit vloeit vooruit uit artikel 1:96 lid 5 BW (nieuw). Hierbij worden de investeringen die hebben plaatsgevonden voor 1 januari 2012 nominaal gewaardeerd. De investeringen van na 1 januari 2012 worden op basis van de evenredigheidsleer berekend.
De essentie van de uitwerking van deze casus is onder het huwelijksvermogensrecht van na 1 januari 2018 niet wezenlijk anders.
Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.