7 januari 2025
Tijdens hun huwelijk betaalden man en vrouw een onderhoudsbijdrage aan hun kind, ook toen het kind ouder was dan 21 jaar. Moet met deze onderhoudsbijdrage rekening worden gehouden na de scheiding bij het bepalen van de hoogte van de partneralimentatie van de man aan de vrouw?
Tijdens hun huwelijk betaalden man en vrouw een onderhoudsbijdrage aan hun kind, ook toen het kind ouder was dan 21 jaar. Moet met deze onderhoudsbijdrage rekening worden gehouden na de scheiding bij het bepalen van de hoogte van de partneralimentatie van de man aan de vrouw?
Wat was er aan de hand?
De man stelt dat bij de bepaling van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met een last van € 330 per maand vanwege de maandelijkse bijdrage aan hun kind. Verder is de man van mening dat het kind behoeftig is omdat het voltijds studeert, studiefinanciering ontvangt (in de vorm van een terug te betalen lening) en daarnaast een bijbaan heeft.
De vrouw stelt dat er geen rekening gehouden moet worden met deze maandelijkse last, omdat de man geacht moet worden deze bijdrage uit zijn zogeheten vrije ruimte te voldoen.
Beoordeling door de Rechtbank
De rechtbank begrijpt uit de stellingen van de man dat de man van mening is dat zijn onderhoudsplicht aan het kind voorrang heeft ten opzichte van zijn onderhoudsplicht aan de vrouw. De rechtbank wijst echter op de wettelijke regeling waaruit voortvloeit dat kinderen die een leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, geen voorrang meer hebben boven andere onderhoudsgerechtigden. Het feit dat de man de bijdrage aan het kind ook al tijdens het huwelijk betaalde, is niet van belang.
Ook vindt de rechtbank dat uit de door de man aangevoerde argumenten over de mogelijke behoeftigheid van het kind, onvoldoende de behoeftigheid van het kind blijkt. De rechtbank begrijpt de keuze van het kind om voltijds te studeren, maar dat maakt het kind niet behoeftig. Het stelsel van studiefinanciering is immers juist bedoeld om te kunnen studeren. Door de man zijn geen argumenten aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat het kind niet in staat is om in het eigen levensonderhoud te voorzien.
Belang voor de praktijk
De meeste ouders hebben gelukkig het beste voor met hun kinderen en zijn graag bereid nog bepaalde kosten voor hun volwassen kinderen te dragen, zeker op het moment dat zij nog studeren. Wanneer de financiële middelen van de alimentatieplichtige echter beperkt zijn na de scheiding, kun je als scheidingsprofessional echter niet om de kernbegrippen heen: behoeftigheid, behoefte, draagkracht en vooral in deze situatie: rangorde.
Ouders zijn wettelijk verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Voor jongmeerderjarige kinderen (dat zijn kinderen in de leeftijd van 18 tot 21 jaar) zijn ouders wettelijk verplicht een bijdrage leveren in de kosten van levensonderhoud en studie. Het jongmeerderjarige kind hoeft zijn of haar behoeftigheid[1] niet aan te tonen. Het kan uiteraard voor een meerderjarig kind van 21 jaar of ouder (financieel) vervelend zijn als een bijdrage van de ouder(s) eindigt terwijl het kind nog voltijds studeert. Maar vanaf die ‘beruchte’ leeftijd van 21 jaar wordt een kind geacht op eigen benen te kunnen staan (dit kan anders zijn als er sprake is van behoeftigheid). Als er onvoldoende draagkracht is bij de onderhoudsplichtige, hebben kinderen jonger dan 21 jaar voorrang op de ex-partner en op kinderen ouder dan 21 jaar.[2] De ex-partner en kinderen ouder dan 21 jaar staan in rangorde gelijk aan elkaar. De verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud aan kinderen ouder dan 21 jaar bestaat uitsluitend in het geval een kind behoeftig is.
In situaties waarbij er meerdere onderhoudsgerechtigden zijn, is het belangrijk om duidelijk en transparant in jouw uitleg en communicatie te zijn, zodat cliënten weten binnen welke wettelijke kaders zij zich bevinden. Zij kunnen dan eventueel willens en wetens genoegen nemen met wat minder voor zichzelf ten behoeve van hun kinderen. Leg deze afspraken vervolgens goed vast omdat cliënten hiermee afwijken van de wettelijke maatstaven.
[1] Iemand is behoeftig als hij of zij niet in het eigen levensonderhoud kan voorzien, dat wil zeggen als hij of zij zelf daartoe de nodige middelen mist en die ook in redelijkheid niet kan verwerven.
[2] Art. 1:400 BW
Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.