Discussies over kosten van de huishouding bij scheiding, een regelmatig terugkerend probleem!

4 maart 2025

Discussies over kosten van de huishouding bij scheiding, een regelmatig terugkerend probleem!

Of je nu samenwoont, gehuwd of geregistreerd partner bent, in veel gevallen weten partners niet wat de juridische kaders zijn voor de betaling van de kosten van de huishouding. In de praktijk doet men “maar wat”. Dat leidt tot onoverzichtelijke situaties en discussies bij scheidingen. Hoe ga je daarmee om?


Of je nu samenwoont, gehuwd of geregistreerd partner bent, in veel gevallen weten partners niet wat de juridische kaders zijn voor de betaling van de kosten van de huishouding. In de praktijk doet men “maar wat”. Dat leidt tot onoverzichtelijke situaties en discussies bij scheidingen. Hoe ga je daarmee om?

In dit artikel geven we jou als lezer houvast hoe je kunt omgaan met mogelijke discussies over kosten van de huishouding. Eerst frissen we de kennis weer even op door de wettelijke kaders ten aanzien de kosten van de huishouding uiteen te zetten. Vervolgens kijken we naar relevante jurisprudentie. Om de problematiek overzichtelijk te houden zoomen wij in dit artikel in op gehuwden in gemeenschap van goederen (oud en nieuw recht).

Wat zijn kosten van de huishouding?
Allereerst is het van belang om de kosten van de huishouding te definiëren. Hierbij kan gedacht worden aan kosten die worden gemaakt in het gezamenlijke belang zoals aan voeding, verzorging, huisvesting (huur), kosten van kinderen die tot het huishouden behoren, vakanties, kinderopvang, verzekeringen, et cetera. Hypotheekrente die betrekking heeft op een schuld die is aangegaan voor de echtelijke woning wordt ook gezien als kosten van de huishouding.[1] Aflossingen op een hypotheek en premie ten behoeve van vermogensopbouw in een kapitaalverzekering vallen niet onder kosten van de huishouding.[2] Het ezelsbruggetje is meestal dat kosten van de huishouding leidt tot vertering. Waar geld wordt verplaatst of wordt geïnvesteerd is meestal geen sprake van kosten van de huishouding.

Wat is inkomen?
De wettekst geeft geen duidelijke afbakening van het inkomen. Naar onze mening dient het wettelijke inkomensbegrip daarom breed te worden uitgelegd. Onder inkomen wordt verstaan het jaarinkomen.[3] Naast arbeidsinkomen zoals loon, winst uit onderneming en resultaat uit overige werkzaamheden, kun je hierbij denken aan vruchten van vermogen zoals rente, huur pacht en dividend. Ook uitkeringen en pensioen of lijfrente inkomsten behoren tot het inkomensbegrip.

Wie moet de kosten van de huishouding eigenlijk betalen?
Voor gehuwden en geregistreerde partners kennen we een wettelijke regeling die ziet op het onderling dragen van de kosten van de huishouding.[4] Dat gaat dus over de vraag wie draagplichtig is voor het voldoen van de kosten van de huishouding. De wet bepaalt dat gehuwden en geregistreerde partners de kosten van de huishouding in de volgende volgorde moeten voldoen:

  • Gezamenlijk inkomen (inkomen dat in de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap valt);
  • Privé inkomens van partners in evenredigheid daarvan;
  • Gezamenlijk vermogen;
  • Privévermogen naar evenredigheid daarvan.

Voorbeeld:
Maarten en Vera zijn gehuwd in gemeenschap van goederen (na 2018). Het netto salaris van Maarten bedroeg € 30.000. Het netto salaris van Vera bedroeg € 20.000. Maarten heeft een pakket aandelen van zijn ouders geschonken gekregen waardoor deze buiten de gemeenschap zijn gevallen. Het inkomen uit dividend dat ziet op dit pakket aandelen bedraagt € 25.000. Vera heeft geen privé-inkomen. Op de gezamenlijke spaarrekening staat nog € 40.000. Maarten heeft een aanzienlijk privévermogen van € 250.000. Vera heeft geen vermogen.

De kosten van de huishouding bedragen in het kalenderjaar € 80.000. Hoe moeten de kosten van de huishouding nu gedragen worden?

Allereerst dient dit gedragen te worden uit het gezamenlijke inkomen. Omdat Maarten en Vera in gemeenschap van goederen zijn gehuwd valt het salaris van beide onder het gezamenlijke inkomen. Dat gezamenlijke inkomen bedraagt € 50.000 (€ 30.000 + € 20.000).

Daarna resteert nog € 30.000 (€ 80.000 – € 50.000). We gaan nu kijken naar privé-inkomen. Uitsluitend Maarten geniet privé-inkomen en zal daarom 100% hiervan moeten aanwenden voor betaling van de kosten van de huishouding. Daarna resteert nog € 5.000 (€ 30.000 – € 25.000).

Vervolgens dient de laatste € 5.000 te worden gedragen uit het gezamenlijke vermogen. Er resteert dan nog € 35.000 op de spaarrekening die onderdeel is van de gemeenschap van goederen.

Van belang is dat de regeling inzake het dragen van de kosten van de huishouding voor gehuwden doorloopt totdat het huwelijk is geëindigd. Dat betekent dat ook indien echtgenoten in een scheiding verwikkeld zijn en daardoor gescheiden leven verplicht zijn bij te dragen in de kosten van de huishouding op basis van artikel 1:84 BW.

De volgorde van het draagplichtige vermogen dat genoemd staat in artikel 1:84 BW is een richtlijn waarbij in bijzondere omstandigheden van afgeweken kan worden.[5] Op de bovenstaande volgorde kunnen uitzonderingen gelden als er sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan een situatie waarbij één partner 40 uur per week werkt en een modaal inkomen verdient en de andere partner geen arbeidsinkomen geniet en 1 miljoen euro belegt op een manier die geen vruchten (inkomen) oplevert. In dat geval kan gesteld worden dat het onredelijk is dat de partner met het inkomen de volledige kosten van de huishouding voor diens rekening dient te nemen.[6]

Partners kunnen in een onderhandse schriftelijke overeenkomst afwijkende afspraken maken ten aanzien van het dragen van de kosten van de huishouding.[7] Het staat hun zelfs vrij om afspraken uit huwelijkse voorwaarden hiermee aan de kant te zetten.

Oke, so far so good!

Maar wat nu als er niet in lijn met de wettelijke regels is bijgedragen?
Je hebt nu gelezen hoe de kosten van de huishouding op basis van artikel 1:84 BW onderling gedragen dienen te worden. In de praktijk zullen echtgenoten zich niet bewust zijn van deze regelingen en “maar wat doen”. Dat kan bij een echtscheiding leiden tot discussies als iemand zich op het standpunt stelt dat hij of zij teveel heeft betaald. In de scheidingsbemiddelingspraktijk kun je dan als vuistregel gebruiken dat de partner die stelt dat hij of zij teveel heeft bijgedragen nog slechts over 1 kalenderjaar een vordering kan instellen omdat zijn of haar recht is verwerkt.[8] De reden hiervoor is dat echtgenoten van deze kosten veelal geen nauwkeurige administratie bijhouden, waardoor het na verloop van tijd niet goed meer mogelijk is om te achterhalen hoe de verrekening zou moeten plaatsvinden.

Ongeacht de regeling van artikel 1:84 BW zijn kosten van de huishouding en consumptieve bestedingen in beginsel gemeenschapsschulden.[9] Als deze gemeenschapsschulden, die ontstaan in verband met de kosten van de huishouding, worden voldaan vanuit privévermogen ontstaat er in principe een vergoedingsrecht.[10] Natuurlijk dient diegene die een beroep doet op het vergoedingsrecht dit te onderbouwen met bankafschriften of ander bewijsmateriaal. Het is dan aan de andere partner om aan te tonen dat het inkomen van de gemeenschap onvoldoende was om de kosten van de huishouding te dragen en dat op die andere partner de verplichting rustte het tekort aan te vullen. Als dat slaagt krijgt die partner een rechtstreekse vordering op die andere partner. Er ontstaat dus geen vordering van de gemeenschap op het privévermogen.

Hieronder behandelen wij twee Hoge Raad uitspraken die helpen bij het begrijpen van praktijksituaties.

Hoge Raad 5 april 2019[11] (vergoedingsrecht door betaling kosten van de huishouding)
Elisabeth en Hendrik zijn in 1985 met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd. Elisabeth krijgt zowel in 2002 als in 2004 als in 2006 een bedrag van € 10.000 netto onder uitsluiting geschonken van haar ouders. Het bedrag van € 30.000 is overgeboekt naar de gezamenlijke bankrekening van Elisabeth en Hendrik. Het bedrag van de schenkingen is besteed aan de huishouding, vakanties en consumptieve uitgaven. In 2014 wordt het huwelijk van Elisabeth en Hendrik door echtscheiding ontbonden. Bij de scheiding eist Elisabeth haar € 30.000 terug. Volgens Hendrik geldt ‘op is op’ en kan er daarom geen sprake van zijn dat Elisabeth recht heeft op een vergoeding. De Hoge Raad besliste dat er wel sprake is van een vergoedingsrecht omdat:[12]

Doordat de geschonken bedragen op een gemeenschappelijke bankrekening van partijen zijn overgeboekt, is het totaalbedrag van € 30.000 door vermenging tot het gemeenschapsvermogen gaan behoren. Hierdoor is een vergoedingsrecht ontstaan van de vrouw op de gemeenschap.[13] Uitgaven in verband met kosten van de huishouding en consumptieve bestedingen zijn aan te merken als voldoening van gemeenschapsschulden ongeacht de regeling van artikel 1:84 BW.

Ten gunste van Elisabeth geldt het vermoeden dat deze uitgaven betrekking hebben gehad op gemeenschapsschulden, hetgeen meebrengt dat het vergoedingsrecht van de vrouw jegens de gemeenschap door die uitgaven niet aangetast is.

Hendrik moet in dit geval, feiten en omstandigheden stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan het vergoedingsrecht van Elisabeth jegens de gemeenschap niet (of niet volledig) geldend kan worden gemaakt. Dat is bijvoorbeeld het geval als:

  • Uit het gemeenschapsvermogen privéschulden van Elisabeth zijn voldaan. Hierdoor zou ook een vergoedingsrecht ontstaan waardoor de vorderingen (deels) tegen elkaar weggestreept kunnen worden.
  • Als Hendrik en Elisabeth hebben afgesproken (vormvrij) dat er geen vergoedingsrecht zou ontstaan.
  • Als Hendrik kan aantonen dat het gemeenschappelijke vermogen onvoldoende was om de kosten van de huishouding te dragen en dat Elisabeth op grond van artikel 1:84 BW haar vermogen hiervoor ook had moeten aanwenden.

Hendrik kon geen van deze argumenten inbrengen waardoor Elisabeth recht had op een nominale vordering op de gemeenschap van € 30.000.

Hoge Raad 10 mei 2019[14] (geen vergoedingsrecht door betaling kosten van de huishouding)
Barend en Geertje zijn in 1994 in het huwelijksbootje gestapt (gemeenschap van goederen). Uit een nalatenschap ontvangt Geertje een bedrag van € 158.796,57 (onder uitsluiting). Het huwelijk van Barend en Geertje wordt geteisterd door ongeluk. In 2002 breekt de vogelgriep uit en hebben ze geen inkomsten uit hun pluimveehouderij en er is ook geen vermogen. Ze leven dan ook een aantal jaren van de erfenis van de vader van Geertje. In totaal gaat het om € 110.000. Barend heeft geen privévermogen. Geertje en Barend gaan nu scheiden. Geertje eist haar geld terug en beroept zich op de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019.

Deze casus lijkt veel op de Hoge Raad uitspraak van 5 april 2019 in die zin dat er ook sprake is van privévermogen dat wordt aangewend voor kosten van de huishouding. De hoofdregel is dat kosten van de huishouding, ongeacht de draagplichtregeling van artikel 1:84 BW, schulden zijn van de gemeenschap. Op het moment dat Geertje deze schulden vanuit privévermogen voldoet ontstaat er in beginsel een vergoedingsrecht.[15] Daar staat in deze casus tegenover dat Barend kan aantonen dat Geertje op grond van art. 1:84 BW verplicht was om deze kosten te dragen. Er was immers onvoldoende gezamenlijk inkomen (inkomen dat in de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap valt), er waren geen privé inkomsten en er was geen gemeenschappelijk vermogen. Op dat moment kom je in de laatste categorie terecht en dat is privévermogen van Barend en Geertje naar rato. Omdat Barend geen privévermogen had en Geertje wel dient zij 100% van de kosten voor haar rekening te nemen. Per saldo leidt dit ertoe dat het vergoedingsrecht wordt weggestreept tegen de verplichting uit hoofde van de draagplichtregeling van artikel 1:84 BW.

Belang voor de praktijk
Tijdens relaties vermengt geld. Dit kan ook betrekking hebben op consumptieve bestedingen en kosten van de huishouding. Door de invoering van de nieuwe gemeenschap van goederen zijn er steeds meer stellen die over privévermogen beschikken. De kans dat privévermogen aangewend wordt voor het voldoen van kosten van de huishouding of andere consumptieve bestedingen is daarom aanzienlijk groter geworden. Door de regel dat kosten van de huishouding en consumptieve bestedingen gemeenschapsschulden zijn zal er, indien deze schulden worden voldaan uit privévermogen, als snel een juridische rechtsgrond zijn voor een vergoedingsrecht.[16] Het is maar zeer de vraag of dit ook de bedoeling van cliënten is.

Zo kan het voorkomen dat je door je echtgenoot mee op vakantie wordt genomen die wordt gefinancierd door diens privévermogen. Als jouw echtgenoot dan na de vakantie de scheiding aanvraagt kan diegene, als je “bent vergeten” nadere afspraken te maken, stellen dat de kosten van vakantie een gemeenschapsschuld is die vanuit privévermogen is voldaan. Er is dan een vergoedingsrecht ontstaan. Geconcludeerd kan worden dan je dan op de pof op vakantie bent geweest. Balen dus!

Tip: Als jouw echtgenoot je mee op vakantie neemt en dit vanuit privévermogen betaalt, stel dan voor vertrek een overeenkomst op waaruit blijkt dat er geen vergoedingsrecht ontstaat. Ben je bang dat hierdoor de vakantievreugde mogelijk in het gedrang komt? Wees dan iets sluwer en stuur vanuit je strandbedje het volgende whatsapp bericht: “Dank je schat voor deze heerlijke vakantie, wat een fijn cadeau zeg!”. Als je echtgenoot dan een duimpje met of zonder kusje terug appt, weet je dat je met een gerust hart nog een drankje kunt bestellen en van de verdere vakantie kunt genieten.

Als je dit grapje begrijpt heb je de Hoge Raad uitspraak van 5 april 2019 goed begrepen en mag je door naar de toets.

Wil je meer weten over het (nieuwe) huwelijksvermogensrecht? De Scheidingsdeskundige biedt diverse opleidingen rondom dit actuele thema zoals bijvoorbeeld:

Leergang Erkend Scheidingsadviseur
Knelpunten nieuw huwelijksvermogensrecht


[1] Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5698
[2] Hoge Raad 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9769 (Schwanen/Hundscheid 2)
[3] Parl. Gesch. BW Inv. Boek 1 1969, p. 1153, Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/153
[4] Art. 1:80b BW
[5] HR 16 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0721
[6] MvT, Parl. Gesch. InvW 1, p. 1144
[7] Art. 1:84 lid 3 BW - MvT, Kamerstukken II, 27084, 3, p. 7
[8] HR 22 mei 1987, NJ 1988, 231 (Ridder te voet)
[9] Art. 1:94 lid 7 BW en Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504, r.o. 3.3.4
[10] Art. 1:96 lid 4 BW
[11] HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504
[12] Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504 r.o. 3.3.4
[13] Art. 1:95 lid 2 BW en art. 1:96 lid 4 BW
[14] Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2023:96
[15] Art. 1:94 lid 7 BW (nieuw) – Art. 1:94 lid 5 BW (oud)
[16] Art. Art. 1:94 lid 7 BW (nieuw) – Art. 1:94 lid 5 BW (oud) jo. Art. 1:96 lid 4 BW

Wil jij perfect op de hoogte blijven?

Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.

  • Wekelijkse verdieping en actualiteiten
  • PE Punten
  • Scheiden in de media
  • FAQ
  • Naslagwerken
  • Maandelijks opzegbaar
leeromgeving.descheidingsdeskundige.nl
De Scheidingsdeskundige
Scheidingsdeskundige Congres 2025