Briefadres na een scheiding: fiscale knelpunten?

9 april 2024

Briefadres na een scheiding: fiscale knelpunten?

Briefadres na een scheiding

Na een scheiding kan het voorkomen dat een (vertrekkende) ex-partner geen vast woonadres heeft om zich in te schrijven. Dit leidt tot fiscale knelpunten omdat het fiscale- en toeslagpartnerschap niet verbreekt. Een briefadres kan een oplossing bieden. Wat betekent dit voor het recht op toeslagen en de inkomensafhankelijke combinatiekorting na de scheiding? We spraken hierover met Arie de Bakker van de Belastingdienst.

Auteur: Mr. V.A.J. (Vanessa) Vissers RES

[lees verder...]

 

 

 

 


➡️ De Scheidingsdeskundige is een een kennis- en opleidingscentrum voor professionals die betrokken zijn bij het scheidingsproces. Wij hebben maar 1 doel: Het verbeteren van de kwaliteit van scheidingsbegeleiding in Nederland!

🗞️ Wekelijks delen wij door ons geselecteerde relevante ontwikkelingen of verdieping. Wij vatten de essentie voor je samen en vertalen dit naar jouw praktijk. Ieder artikel bevat bronnen voor als je verder wilt lezen. Ook krijg je tips. Een artikel sluit af met een prikkelende stelling of vraag. Op die manier maken we het bijhouden van kennis efficiënt, inspirerend en praktijkgericht!

👍 Heb je een abonnement op Permanent Actueel of Praktijkondersteuning? Dan lees je dit artikel kosteloos via jouw persoonlijke leeromgeving.

💡 Nog geen abonnement? Ervaar nu zelf het gemak van Permanent Actueel met een gratis proefabonnement en blijf eenvoudig up-to-date over ontwikkelingen in de scheidingspraktijk: Lees het gehele artikel met een gratis proefabonnement!


Vind je dit artikel interessant voor jouw collega of netwerk?
Deel dit dan via onderstaande link:



Na een scheiding kan het voorkomen dat een (vertrekkende) ex-partner geen vast woonadres heeft om zich in te schrijven. Dit leidt tot fiscale knelpunten omdat het fiscale- en toeslagpartnerschap niet verbreekt. Een briefadres kan een oplossing bieden. Wat betekent dit voor het recht op toeslagen en de inkomensafhankelijke combinatiekorting na de scheiding? We spraken hierover met Arie de Bakker van de Belastingdienst.

Inleiding - Theoretisch kader
Het vinden van nieuwe huisvesting is, gezien de woningnood, een van de meest urgente en uitdagende kwesties na een scheiding. Het komt daarom regelmatig voor dat één van beide partners zich na de scheiding genoodzaakt ziet om intrek te nemen in bijvoorbeeld een huisje of stacaravan op een vakantiepark of afwisselend bij verschillende familieleden verblijft. In veel gevallen is inschrijving in de BRP in deze situaties niet mogelijk. Inschrijven op een vakantiepark is niet toegestaan. Familieleden zijn vaak terughoudend met het inschrijven op hun adres, omdat ze bang zijn dat dit gevolgen heeft voor hun eigen rechten op eventuele uitkeringen en toeslagen. Ex-partners blijven hierdoor ingeschreven op hetzelfde adres en blijven fiscaal- en toeslagpartner.

Bij een scheiding is het voor het aanspraak maken op de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het zelfstandige recht op toeslagen van ex-partners van groot belang dat het fiscale- en toeslagpartnerschap zo snel mogelijk verbreekt. Omdat dit niet gebeurt lopen ex-partners mogelijk vele duizenden euro’s mis. Dit is onwenselijk.

Het inschrijven van de vertrekkende partner op een zogenaamd briefadres kan mogelijk uitkomst bieden voor het recht op heffingskortingen en toeslagen van zowel de blijvende als ook de vertrekkende partner.

Een briefadres is een adres waar de overheid iemand zonder woonadres kan bereiken. De briefadresgever mag een persoon zijn. Is er niemand die de vertrekkende ex-partner wil inschrijven op zijn/haar adres, dan is de gemeente per 1 januari 2022 wettelijk verplicht iemand ‘ambtshalve’ in te schrijven op een briefadres. Dat kan het adres van een gemeentehuis zijn of een adres van een instelling waar de gemeente mee samenwerkt. Een postbus kan nooit als briefadres gelden. Een briefadres levert een inschrijving in de BRP op. Hierdoor verbreekt het fiscaal partnerschap en het toeslagpartnerschap met de ex-partner waardoor de poorten worden geopend naar het recht op de IACK, toeslagen en kinderbijslag.

Inschrijving op een briefadres roept diverse praktijkvragen op over het recht op inkomensafhankelijke combinatiekorting en toeslagen na een scheiding, met name voor ouders die de zorg hebben voor (jonge) kinderen:

  • Bestaat er recht op inkomensafhankelijke combinatiekorting bij inschrijving op een briefadres?
  • Kun je toeslagen aanvragen met een briefadres?
  • Heeft het medewerking verlenen geven aan een briefadres nog financiële gevolgen voor de briefadresgever?

In het navolgende wordt achtereenvolgens ingegaan op deze vragen.

Inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK)
Voor ouders die zorgdragen voor jonge kinderen, is het recht op IACK vaak een belangrijk onderdeel van het inkomen na de scheiding. Deze heffingskorting kan oplopen tot € 2.950[1] per jaar. Met name voor het recht op de IACK in het jaar van scheiding zal de wens van de hoofdverzorgende (en vaak minstverdienende) ouder zijn dat het fiscale partnerschap vóór 1 juli verbreekt. Anders wordt deze heffingskorting voor een heel jaar misgelopen door deze ouder.

De voorwaarden voor het recht op IACK zetten we nog even voor je op een rijtje[2]:

  • Er moet bij de gemeente een kind staan ingeschreven op het woonadres van de aanvrager van de IACK.
  • Dit kind moet jonger zijn dan 12 jaar.
  • Het kind staat tenminste zes maanden in een kalenderjaar ingeschreven op het woonadres.
  • Het arbeidsinkomen is hoger dan een bepaald vastgesteld bedrag[3] of de aanvrager komt in aanmerking voor de zelfstandigenaftrek.
  • De aanvrager is alleenstaand en deze werkt óf,
  • De aanvrager heeft een fiscale partner, beide werken en de aanvrager heeft het laagste arbeidsinkomen.

Op grond van bovenstaande wettelijke voorwaarden kwalificeert een ouder met alleen een briefadres niet voor het recht op IACK. Ondanks dat deze ouder dezelfde zorg heeft voor jonge kinderen als ouders mét een woonadres en het kind tot het huishouden van die ouder behoort, heeft deze -wettelijk gezien- geen recht op deze heffingskorting! Dit leidde tot een juridische procedure die uiteindelijk in 2023 aan de Hoge Raad werd voorgelegd.

Wat was de casus? 

  • Een moeder heeft in 2018 geen fiscaal partner meer.
  • Zij heeft op dat moment een dochter van 11 jaar.
  • Moeder en dochter staan in 2018 als volgt ingeschreven in de BRP:
  • 1 januari t/m 2 april: hetzelfde woonadres
  • 3 april t/m 11 december: hetzelfde briefadres (woonde deels bij familie en deels in een vakantiewoning)
  • 12 december t/m 31 december: hetzelfde woonadres
  • Het adres van de familie werd in de periode 3 april t/m 11 december gebruikt als briefadres.
  • Het niet-inschrijven op het woonadres is een voorwaarde die de familie heeft gesteld aan de (tijdelijke) inwoning.
  • Moeder verzoekt in 2018 toekenning van de IACK.
  • De inspecteur wijst haar verzoek af.

Er ontstaat een juridisch geschil tussen moeder en de belastinginspecteur.

Conclusie rechtbank
De rechtbank stelt de vrouw in eerste instantie in het gelijk.[4] De rechtbank concludeert dat de vrouw voldoet aan de voorwaarden van de Wet IB 2001 met betrekking tot de IACK voor het jaar 2018. De vrouw werkte als alleenstaande ouder met een kind en voldeed aan de inkomenseis. Daarnaast heeft ze het hele jaar samen met haar dochter op hetzelfde adres gewoond, waardoor zij één huishouden vormden. Hoewel moeder niet kon worden ingeschreven op het adres van het vakantiepark waar zij verbleef, besliste de rechtbank dat de inschrijvingseis geen uitvoeringsprobleem oplevert in dit geval. De rechtbank interpreteert de inschrijvingseis niet als een strengere eis dan het vereiste dat het kind tot het huishouden behoort. De wetgever heeft, volgens de rechtbank, niet voorzien dat gevallen zoals die van eiseres zich zouden kunnen voordoen. Het is echter redelijk aannemelijk dat de wetgever de IACK zou willen toekennen in een geval als dat van eiseres, maar dat hij niet heeft voorzien dat inschrijving op een woonadres niet mogelijk zou zijn.

Conclusie Hof
De belastinginspecteur gaat vervolgens in hoger beroep en legt het geschil voor aan het Hof Den Haag.[5] Het Hof Den Haag wijst het recht op IACK af met de volgende overweging:

“Om in aanmerking te komen voor de IACK moet belanghebbende dus voldoen aan het vereiste dat zij en haar dochter meer dan zes maanden op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de BRP. Aangezien belanghebbende en haar dochter gedurende ongeveer acht maanden staan ingeschreven op een briefadres en dus niet op een woonadres, stelt de Inspecteur zich terecht op het standpunt dat zij niet voldoet aan het inschrijvingsvereiste. Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de wettekst geen ruimte biedt om af te wijken van dit duidelijke criterium.”

De vrouw stapt naar de Hoge Raad maar deze bevestigt, zonder nadere motivering, de zienswijze van het Hof.[6] Hierdoor heeft de vrouw in 2018 geen recht op de IACK.

In onze visie pakt deze strikte uitleg van de regels erg onredelijk uit. De moeder uit de procedure voldoet immers aan alle voorwaarden behalve aan de eis van de formele inschrijving op een woonadres. Ook bij de belastingdienst vond men deze uitkomst onredelijk. Gedurende het verloop van deze procedure heeft de belastingdienst daarom intern gereflecteerd op het beleid en zijn zij tot de conclusie gekomen dat ook een briefadres, onder voorwaarden, voldoende is om in aanmerking te komen voor de IACK. Door dit beleid gaat de deur naar de IACK open voor ouders met kinderen die zich in een dergelijke precaire situatie bevinden. Dit beleid is in een goedkeurend besluit vastgelegd.[7] Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie (cumulatieve) voorwaarden:

  • Belastingplichtige en een kind voeren gedurende het kalenderjaar ten minste zes maanden een gezamenlijke huishouding;
  • Het kind staat niet voor ten minste zes maanden ingeschreven op een woonadres in de BRP bij een ander dan de belastingplichtige; én
  • Aan de overige voorwaarden voor toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt voldaan.

Als gevolg van het aangepaste beleid van de belastingdienst zou de moeder uit de casus wél in aanmerking zijn gekomen voor het recht op de IACK. Wij spraken over deze procedure met Arie de Bakker, hoofd van het landelijke vaktechnische bureau van de Belastingdienst:

De Belastingdienst is een uitvoeringsorganisatie die de laatste jaren zich weer bewust is van het belang van de ‘menselijke maat’ en zoekt naar de ruimte in het recht. Daar worden de medewerkers ook in opgeleid en begeleid. De belastinginspecteur en -ontvanger hebben in de uitoefening van hun taak echter wel een heel belangrijk kader, namelijk de wet- en regelgeving. Vaak bieden de wet- en regelgeving, maar bijvoorbeeld ook de toepassing van de beginselen behoorlijk bestuur, ruimte voor het vinden van een oplossing voor individuele situaties of groepen belastingplichtigen. Maar net zoals in deze casus, is die ruimte er gewoonweg niet altijd. Ook de rechter heeft dan geen ruimte. Toch is duidelijk dat die regel onnodig hard uitpakt.

Wat kan de Belastingdienst dan wel met het oog op de menselijke maat en de ongewenste hardheden in de wet- en regelgeving als die ruimte er niet is? 

De inspecteur heeft wel middelen om zo’n vraagstuk intern onder de aandacht te brengen. Ten eerste kan de inspecteur dit via de zogeheten ‘vaktechnische en management lijn’ aankaarten. In dat geval komt zo’n vraag via die vaktechnische lijn en de landelijke vaktechnische directie bij de kaderstellende directies terecht. Doel hiervan is dan vooral de wet- en/of regelgeving aan te laten passen. 

Daarnaast is er voor de medewerkers een intern loket waar zij juridische hardheden kunnen melden. 

In dit geval is het signaal langs beide kanalen opgewerkt. Het aanpassen van de wet- en regelgeving is voor een belangrijk deel een politiek proces. Daar past een juiste parlementaire controle bij. Op zijn minst is het dan van belang de aanpassingen of afwijkingen goed met de verantwoordelijke Staatssecretaris af te stemmen. 

In bijzondere gevallen kan vooruitlopend op een wetswijziging het beleid worden versoepeld. Doel van de regeling is immers de arbeidsparticipatie van alleenstaande ouders te bevorderen. Namens de staatssecretaris is het beleid voor de toepassing van de IACK en voor aanslagen tot en met belastingjaar 2024 dan ook aangepast. Met ingang van 1 januari 2025 is voor het te gelde te kunnen maken van de IACK het wettelijke inschrijvingsvereiste vervallen en geldt nog slechts als wettelijke voorwaarde dat een kind tot hetzelfde huishouden behoort. Hiermee zijn veel gescheiden ouders geholpen die zich in een lastige inschrijvingssituatie bevinden.

Wat betekent dit nu voor de belanghebbende die tot aan de Hoge Raad procedeerde, maar niet het gelijk werd gesteld? De hoofdregel is dat de aangepaste regel alleen geldt voor situaties die zich na die aanpassing voordoen. Of meer specifiek: alleen voor die belanghebbenden waarvan de aanslagen nog niet onherroepelijk vast staan en dus de bezwaar- en beroepstermijn nog niet verstreken zijn. Voor de belanghebbende die in deze procedure was gewikkeld zou dat wel heel zuur uitpakken. Want vrij kort na het arrest is het beleid immers aangepast. 

Hoewel het de kunst is om onnodig procederen te voorkomen, is het een dilemma dat de inspecteur als uitvoerder in een lopende procedure niet gemakkelijk zelfstandig vooruit kan lopen op wijzigingen in wet- en regelgeving. Ook niet als de wettelijke regel intern ter discussie staat. 

Gezien deze bijzondere samenloop - die niet heel vaak voorkomt – is het toch gelukt voor deze belanghebbende na afloop van de procedure alsnog een passende oplossing te vinden.

Recht op toeslagen
Voor het recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting is er dus duidelijk beleid. Maar hoe zit het ten aanzien van het recht op (kindgebonden) toeslagen?

De algemene kaders voor de toeslagen zijn vastgelegd in de Awir[8]. Een kind wordt op grond van art. 2 lid 1 onder c jo. art. 4 lid 1 Awir gedefinieerd als: “Kind is de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de belanghebbende of zijn partner, die in belangrijke mate wordt onderhouden door de belanghebbende of zijn partner en als ingezetene op hetzelfde woonadres als de belanghebbende is ingeschreven in de basisregistratie personen.

Wat betekent deze definitie voor een eventueel recht op kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag?

Kindgebonden budget
Volgens art. 2 lid 1 Wet kindgebonden budget heeft aanspraak op het kindgebonden budget: de ouder voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid van die wet niet van toepassing zou zijn, met dien verstande dat de aanspraak op een kindgebonden budget bestaat met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind is geboren dan wel tot het huishouden is gaan behoren tot en met de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Op basis van art. 7 lid 1 Algemene Kinderbijslagwet bestaat er recht op kinderbijslag als een kind jonger dan 18 jaar tot het huishouden van een ouder behoort en het kind door deze ouder wordt onderhouden.

Op grond van bovenstaande wettelijke bepalingen geldt er geen eis van inschrijving op een woonadres van een kind en een ouder, om voor het kindgebonden budget in aanmerking te komen. Voldoende is dat de betreffende ouder recht heeft op kinderbijslag voor het kind. Voor het recht op kinderbijslag is het voldoende dat er een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd met het kind. De inschrijving op een briefadres staat het recht op kindgebonden budget dus niet in de weg.

Kinderopvangtoeslag
Op grond van artikel 1.5 Wet Kinderopvang heeft aanspraak op de kinderopvangtoeslag de ouder die gebruik maakt van geregistreerde opvang bij een kindercentrum of een gastouder. Daarnaast dient nog aan een aantal aanvullende voorwaarden te worden voldaan.[9]

De ouder is dan weer gedefinieerd als: de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie de kinderopvang betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een vergoeding op grond van de Jeugdwet buiten beschouwing blijft.[10]

Voor het begrip ‘kind’ in deze definitie moet dan weer worden teruggevallen op de Awir. Op grond hiervan kan niet anders dan de conclusie worden getrokken dat voor het recht op kinderopvangtoeslag het inschrijvingsvereiste op een woonadres een formeel vereiste is.

Ook dit lijkt ons niet in lijn met doel en strekking van het recht op deze toeslag. Beleid zoals ten aanzien van de inkomensafhankelijke combinatiekorting hebben wij echter niet kunnen vinden. In voorkomende gevallen adviseren wij het recht op de toeslag voor te leggen aan de Dienst Toeslagen.[11]

Overige toeslagen
Overigens kan er ook recht bestaan op zorgtoeslag na een scheiding. Met een briefadres is het mogelijk een zorgverzekering af te sluiten. Dit is de belangrijkste basisvoorwaarde voor het recht op zorgtoeslag. Er kan in die situatie dus zorgtoeslag worden aangevraagd. [12]

Huurtoeslag zal niet aan de orde zijn indien afwisselend bij familieleden wordt verbleven. Voor een recreatiewoning waar niet permanent mag worden verbleven bestaat geen recht op huurtoeslag. [13]

Positie briefadresgever
Voor de briefadresgever is het goed om te weten dat een inschrijving op zijn of haar adres geen gevolgen heeft voor zijn of haar recht op toeslagen of andere uitkeringen/overheidsvoorzieningen.

Belang voor de praktijk
In de scheidingspraktijk kan het voorkomen dat je cliënten begeleidt die al wel gescheiden leven maar geen nieuwe woonruimte kunnen vinden waar ze zich formeel kunnen inschrijven. Hierdoor lopen zij mogelijk toeslagen en IACK mis. In die situatie kun je jouw cliënten wijzen op de mogelijkheid van inschrijving op een briefadres. Hierdoor verbreekt het fiscaal- en toeslagpartnerschap waardoor beide ex-partners individueel in aanmerking komen voor toeslagen en de IACK. Dit voordeel kan oplopen tot vele duizenden euro’s.


De Scheidingsdeskundige biedt diverse opleidingen waarbij ingegaan wordt op de fiscale aspecten rondom scheidingen, zoals bijvoorbeeld:


[1] Cijfers 2024
[2] Art. 8.14a Wet IB 2001
[3] 2024: € 6.073
[4] Rechtbank Den Haag 13 oktober 2021, ECLI:NL: RBDHA:2021:11227
[5] Hof Den Haag 21 juli 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1740
[6] Hoge Raad 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:961
[7] Besluit van 19 september 2023, nr. 2023-17530, onderdeel 4.5
[8] Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
[9] Art. 1.6 Wet kinderopvang
[10] Art. 1.1 Wet kinderopvang
[11] Ministerie van Financiën, DG Toeslagen / Directie Strategie, Recht & Beleid, Afdeling Juridische Zaken & Vaktechniek, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag
[12] Ik heb geen vast adres - kan ik zorgtoeslag krijgen? (belastingdienst.nl)
[13] Voor welke woonruimte kan ik huurtoeslag krijgen? (belastingdienst.nl)

Wil jij perfect op de hoogte blijven?

Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.

  • Wekelijkse verdieping en actualiteiten
  • PE Punten
  • Scheiden in de media
  • FAQ
  • Naslagwerken
  • Maandelijks opzegbaar
leeromgeving.descheidingsdeskundige.nl
De Scheidingsdeskundige
Scheidingsdeskundige Congres 2025