24 maart 2026
Een schadeclaim van € 21.451 veroorzaakt door rijden zonder rijbewijs wordt als gemeenschapsschuld aangemerkt. Maar kan de interne draagplicht toch volledig bij één echtgenoot worden gelegd op grond van art. 1:100 lid 2 BW? De Rechtbank Gelderland heeft heldere handvaten voor de praktijk.
Wat was er aan de hand?
Maarten en Vera zijn in 2012 gehuwd in gemeenschap van goederen.
Op 20 mei 2022 zaten ze samen in de auto op de parkeerplaats voor hun woning. Maarten zat achter het stuur en Vera zat naast hem op de bijrijdersstoel. Toen Maarten zijn jas uit de woning ging halen, is Vera achter het stuur gaan zitten. Belangrijk detail daarbij is dat Vera geen rijbewijs had.
Dat weerhield Vera er niet van de straat uit te rijden om vervolgens tot stilstand te komen in de voorgevel van een willekeurige woning. De schade aan de woning bedraagt € 21.451.
Dit voorval was voor Maarten de druppel. Op 4 augustus 2023 wordt de scheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
In 2024 meldt ASR verzekeringen zich bij Maarten met het volgende bericht:
“In de polisvoorwaarden staat omschreven dat er geen dekking voor schade is, die is ontstaan als de bestuurder geen (geldig) rijbewijs heeft. Op grond van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) hebben wij de schade aan de tegenpartij moeten uitkeren. Nu er geen dekking was voor de schade, hebben wij het recht om de schade op u te verhalen. Uw betaling van het € 21.451,30 ontvangen wij graag vóór 04-05-2024 onder vermelding van schadenummer QDE-46273. Gezien de hoogte van het schadebedrag kunnen wij ons voorstellen dat u hiervoor graag een betalingsregeling wenst te treffen. Als dat zo is, verzoeken wij u om contact met ons op te zoeken”
Maarten, die net als Vera in de bijstand zit, spreekt met ASR af dat hij € 250 per maand betaalt om de schuld af te lossen.
Maarten baalt als een stekker en wil het geld dat hij aan ASR moet betalen op Vera verhalen. Hij wendt zich tot de kantonrechter.
De kantonrechter overweegt en beslist
Vera heeft zich onrechtmatig gedragen tegenover de woningeigenaren door in de gevel te crashen.[1] Vera heeft daarnaast in strijd met de Wegenverkeerswet gehandeld door zonder rijbewijs te rijden.[2] Omdat de schade is ontstaan voordat het verzoek tot echtscheiding was ingediend betreft de schuld uit hoofde van de vordering van de huiseigenaren een gemeenschapsschuld.[3] Het uitgangspunt voor de interne draagplicht van partijen is dat gemeenschapsschulden door beide echtgenoten, na ontbinding van die gemeenschap, ieder voor een gelijk deel worden gedragen.[4] Voor zover de schuld niet kan worden betaald door de gemeenschapsgoederen, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken als uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere draagplicht voortvloeit. Daarvoor is de aard van de schulden mede van belang.[5] Deze uitzondering op de hoofdregel is van toepassing op huwelijksgemeenschappen die na 1 januari 2018 zijn ontbonden.[6]
De rechtbank stelt vast dat het vermogen van de gemeenschap onvoldoende is om de schuld te kunnen dragen. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de aard van de schuld aanleiding is om af te wijken van een gelijke draagplicht. Maarten en Vera waren echtgenoten en zaten samen in de auto. Onder die omstandigheden hoefde Maarten er geen rekening mee te houden dat Vera in een onbewaakt ogenblik, toen Maarten nog even naar binnen ging om zijn jas te halen en daarbij zijn sleutels in de auto liet liggen, van de gelegenheid gebruik zou maken om een stukje met de auto te gaan rijden. De aard van deze schuld brengt daarom met zich dat Vera op grond van de redelijkheid en billijkheid deze schade moet betalen, en niet Maarten.
Na ontbinding is Maarten hoofdelijk aansprakelijk geworden voor de schuld van Vera.[7] Een hoofdelijk schuldenaar die meer betaalt dan hem intern aangaat, heeft voor dit gedeelte een regresrecht op zijn of haar (ex-)echtgenoot.[8] Een regresrecht ontstaat pas op het moment dat de hoofdelijk schuldenaar de schuld betaalt voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. Daarom moet Maarten bewijzen welk bedrag hij al heeft betaald aan ASR. Uit zijn bankadministratie blijkt dat hij reeds € 2.500 heeft voldaan. De rechtbank stelt zijn vordering op Vera vast op dit bedrag. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat Maarten een vordering krijgt op Vera voor iedere euro die hij aan ASR betaald in verband met de betreffende vordering.
Belang voor de praktijk
Bij scheidingen liggen discussies over schulden, en wie deze na de scheiding moet dragen, op de loer. Het komt geregeld voor dat, mede ingegeven door emoties, iemand een schuld gevoelsmatig aan de andere echtgenoot toerekent. Ook bij een overlegscheiding ligt het vraagstuk inzake het afwijken van de hoofdregel van artikel 1:100 lid 1 BW (50%/50%) regelmatig op tafel. Hierbij is het van belang dat cliënten goed geïnformeerd tot keuzes kunnen komen. Dat betekent dat zij kennis dienen te nemen van de strekking van de hoofdregel en uitzondering zoals verwoord in artikel 1:100 lid 1 en 2 BW.
De vraag die als eerste beantwoord dient te worden is of de schulden groter zijn dan de bezittingen van de gemeenschap. Als daar sprake van is kan gekeken worden of de redelijkheid en billijkheid of de aard van de schuld een afwijkende draagplicht rechtvaardigt. In bijzondere situaties kan daar sprake van zijn en kan de draagplicht ook in onderling overleg afwijkend vastgesteld worden.
Van belang is dat de redelijkheid en de billijkheid niet wordt ingevuld door jouw eigen gevoel als professional. Deze maatstaf dient objectief beoordeeld te worden. Dat kan door vergelijkbare situaties uit jurisprudentie te betrekken bij de betreffende casus.
Bij het in onderling overleg afwijken van een gelijke draagplicht dient aandacht te worden besteed aan de volgende aspecten:
Ook in situaties waarbij de bezittingen van de gemeenschap groter zijn dan de schulden kan er een afwijkende draagplicht voor een schuld worden vastgesteld. In die gevallen zal het moeten gaan om zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals uitkeringsfraude, vervalsen van een handtekening, veroorzaakte letselschade door mishandeling et cetera.
Als echtgenoten geen overeenstemming weten te bereiken over het toedelen van de draagplicht van de schuld kan een jurisprudentieonderzoek gedaan worden. Bij de bronnen van dit artikel hebben wij vergelijkbare uitspraken opgenomen die daarbij kunnen helpen. Mogelijk biedt dit aanknopingspunten om er samen uit te komen.
Voor de professional hebben wij een praktisch stroomschema ontwikkeld voor de beoordeling van het toepassen van art. 1:100 lid 2 BW.
[1] Art. 6:162 BW
[2] Art. 107 Wegenverkeerswet
[3] Art. 1:94 lid 5 BW (oud)
[4] Art. 1:100 lid 1 BW
[5] Art. 1:100 lid 2 BW
[6] Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR2019:636, r.o. 3.3.3
[7] Art. 1:102 BW
[8] Art. 6:10 lid 2 BW
Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.