18 november 2025
Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag verwacht worden dat deze adequaat handelt ten aanzien van eventuele vergoedingsrechten en verjaringstermijnen die daarbij een rol spelen. Een wijze les voor de scheidingspraktijk!
Wat was er aan de hand?
Maarten en Vera hebben een affectieve relatie en kopen in december 2017 samen een woning (50/50). Daarbij zijn Maarten en Vera een hypotheek aangegaan. Deze hypotheek bestond voor € 140.166 uit een overbruggingshypotheek. Maarten investeert de volgende bedragen:
Op 22 juni 2022 stuurt Maarten het volgende bericht aan zijn advocaat:
Mijn meisje en ik zijn uit elkaar. Er is een samenlevingsovereenkomst. Wat zijn mijn en haar rechten en plichten op financieel vlak. Kinderalimentatie spreekt voor zich. Partneralimentatie wil ze niet maar ze vindt dat ze recht heeft op de helft van wat ik verdiend heb in de periode dat zij niet werkte om voor de kinderen te zorgen. Heeft ze dit recht of is dit puur een wens van haar? Voor vragen of een afspraak kan je me altijd bellen. In de bijlage de samenlevingsovereenkomst.
Op 23 juni stuurt de advocaat het volgende bericht:
Zij heeft geen recht op de door haar gewenste betaling. Het is niet meer dan een wens. Daar hoef je geen gevolg aan te geven.
Op 12 oktober 2022 vindt er een bespreking plaats over de financiële gevolgen van de relatiebeëindiging. Vera en Maarten worden tijdens deze bespreking ieder bijgestaan door hun eigen advocaat. Op 21 november 2022 stuurt de advocaat van Maarten een e-mail bericht aan de advocaat van Vera waarin staat dat de overwaarde van de woning gelijkelijk wordt verdeeld en daarmee alles tussen partijen geregeld is.
Op 24 januari 2023 stuurt de advocaat van Maarten hem het volgende bericht (samengevat – JH):
Ik wil een vordering proberen op te tuigen voor de betalingen die jij hebt gedaan -met jouw geld- ten behoeve van de woning. Ik heb daarvoor meer bewijsstukken nodig. Kun je deze aanleveren?
Op 31 januari 2023 vindt een tweede bespreking plaats op het kantoor van de advocaat van Maarten.
Op 13 april 2023 stuurt de advocaat van Maarten een e-mail aan de advocaat van Vera waarin aanspraak gemaakt wordt op vergoedingsrechten in verband met de, door Maarten gedane, betalingen.
Op 14 juli 2023 stuurt de advocaat van Vera het bericht dat Vera zich op verjaring beroept.
Maarten is zeer teleurgesteld over deze situatie omdat dit volgens hem te voorkomen was als zijn advocaat zijn vordering eerder had ingediend of de verjaringstermijn had gestuit. Hij stelt zijn advocaat aansprakelijk voor de door hem geleden schade.
De Rechtbank Den Haag overweegt en beslist:
Op 12 oktober 2022 hebben Maarten en zijn advocaat elkaar gesproken over de financiële afwikkeling van de scheiding. De advocaat wist dat er een samenlevingsovereenkomst was waarin geen afspraken stonden over vergoedingsrechten. Juist als er niets over is geregeld in een samenlevingsovereenkomst, is het zaak om snel navraag te doen naar (grote) betalingen (bijvoorbeeld ten behoeve van een gezamenlijke woning) vanwege de korte verjaringstermijn van vijf jaar.
Het is dus zaak om, als iemand juridisch advies vraagt over de afwikkeling van de samenleving en er een gezamenlijke woning is, snel na te gaan wanneer dat was en of een van de partners daarbij meer dan de helft heeft betaald. Daarnaast dienen ook andere grote investeringen in kaart gebracht te worden en dient onderzocht te worden wanneer de verjaringstermijn aanving en afloopt.
Dat heeft de advocaat niet gedaan, terwijl dat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat zeker mag worden verwacht. Uit de stukken blijkt niet dat de advocaat tijdens of naar aanleiding van de bespreking van 12 oktober 2022 verdere informatie heeft gevraagd van Maarten en hem heeft geïnformeerd over het belang daarvan, zodat de verjaring van eventuele vorderingen (tijdig) kon worden gestuit.
Door de fout van de advocaat is niet binnen vijf jaar aanspraak gemaakt op vergoeding van de (helft van de) bedragen die Maarten meer dan zijn ex-partner voor de woning betaalde of afloste op een gezamenlijke schuld. Door die fout mist Maarten (een kans op) betaling van die vergoeding door Vera. Dat geldt zowel voor de betaling van bij de aankoop van de woning, als voor de aflossing van het gezamenlijke overbruggingskrediet en de aflossing van de gezamenlijke hypotheekschuld. Dat geldt overigens niet voor de rente die Maarten heeft betaald.
Voor de hoogte van de door de advocaat te betalen schadevergoeding is van belang wat er tussen Maarten en zijn ex-partner gebeurd zou zijn als de verjaring van de vergoedingsvorderingen van Maarten tijdig zou zijn gestuit. Gezien de wijze waarop vergoedingsrechten bij samenwoners worden vastgesteld en de onzekere factoren die daarbij spelen stelt de rechtbank Maarten in de gelegenheid om onderbouwd uiteen te zetten hoeveel Vera hem had moeten betalen als de verjaring tijdig gestuit zou zijn.
Belang voor de praktijk
Het verjaringsleerstuk bij vorderingen tussen samenwoners is al diverse keren in Permanent Actueel aan de orde gekomen. De strekking is dat eerst gekeken moet worden naar een rechtsgrond ten aanzien van het bestaan van een vordering. Hiervoor gebruiken we de bouwstenen uit de Hoge Raad uitspraak van 10 mei 2019: [1]
Als deze rechtsgrond bestaat waardoor er sprake is van een vordering, verjaart deze vordering na vijf jaar, te rekenen vanaf de dag na het moment waarop de vordering opeisbaar is.[2] Opeisbaarheid ontstaat op het moment dat méér wordt betaald dan dat iemand eigenlijk moest.[3]
Deze uitspraak laat zien dat van een scheidingsprofessional die betrokken is bij de financiële afwikkeling van de scheiding verwacht wordt dat deze tijdig inventariseert of er eventuele vorderingen zijn en welke verjaringstermijnen daarbij gelden. Dat geldt zeker als je een client eenzijdig bijstaat.
Een client heeft dan voldoende tijd om de verjaring met betrekking tot diens (mogelijke) vordering te stuiten. Stuiten kan door het sturen van een schriftelijke mededeling aan de andere partner waaruit blijkt dat diegene zijn recht op nakoming behoudt.[4]
Het is de vraag of de soep ook zo heet gegeten wordt als je cliënten gezamenlijk begeleidt.
[1] Hoge Raad 10 mei 2019 – ECLI:NL:HR:2019:707
[2] Art. 3:310 lid 1 BW
[3] Art. 6:38 BW
[4] Art. 3:317 BW
Ben jij als professional betrokken bij scheidingen? Wil je jouw kennis op een efficiënte manier actueel houden en verder blijven ontwikkelen? Meld je dan aan voor Permanent Actueel van De Scheidingsdeskundige.