Staatssecretaris geeft duidelijkheid over vaststellen aandeel eigenwoningschuld!

Geplaatst op 1 februari 2018

 

Op 30 januari jl. heeft de staatssecretaris van Financiën een goedkeurend besluit inzake het vaststellen van het aandeel in de eigenwoningschuld gepubliceerd.[1] Hiermee komt een einde aan een lange periode van onzekerheid ten aanzien van het vaststellen van de eigenwoningschuld tussen partners. Dit besluit is hierdoor zeer relevant voor de financiële adviespraktijk. In dit artikel ga ik eerst in op de eerder vastgestelde knelpunten en het besluit. In het verlengde hiervan sta ik stil bij de gevolgen voor de financiële adviespraktijk. Ik zal afsluiten met een conclusie.

 

Wat was er ook alweer aan de hand?

Op 14 april 2017 heeft de toenmalig staatssecretaris van Financiën in zijn Kamerbrief[2] een aantal aannames gedaan die van invloed zijn op het vaststellen van de hoogte van de eigenwoningschuld in de situatie dat er sprake is van een eenvoudige gemeenschap.[3] Indien één van beide deelgenoten bij de verwerving van een woning eigen middelen inbrengt, zou er volgens hem altijd sprake zijn van een vergoedingsrecht. Deze veronderstelling in samenhang met zijn zienswijze zorgen voor diverse fiscale problemen die in de Kamerbrief uiteen zijn gezet[4].

Staatssecretaris van Financiën, Menno Snel, geeft nu eindelijk duidelijkheid en bevestigt de zienswijze uit de Kamerbrief van 14 april 2017. Aan de hand van de volgende casus worden de knelpunten uiteengezet.[5]


Maarten heeft in 2016 een eigen woning verkocht waarvoor hij vijf jaar aftrek van eigenwoningrente heeft genoten. Op de eigen woning rustte een Bestaande Eigenwoningschuld (BEWS)[6] van € 100.000. Bij verkoop is een Eigenwoning reserve (EWR) van € 50.000 gerealiseerd. Vera heeft geen eigenwoningverleden. Maarten en Vera kopen in 2017 samen een woning van € 200.000 en financieren de aankoop met een gezamenlijke annuïteitenhypotheek van € 50.000, een gezamenlijke aflossingsvrije hypotheek van € 100.000 en € 50.000 eigen vermogen van Maarten. Het investeren van het eigen vermogen van Maarten ad. € 50.000 in de gezamenlijke woning leidt tot een vergoedingsrecht van € 25.000 op Vera.[7] Maarten en Vera zijn elkaars fiscale partner. Zowel Maarten als Vera hebben een aandeel van 50% in de woning. De verwervingskosten voor de eigen woning bedragen voor zowel Maarten als Vera € 100.000. Daartegenover staat dat beiden een aandeel van 50% hebben in de annuïteitenhypotheek van € 50.000 en de aflossingsvrije hypotheek van € 100.000.[8]

Uitwerking op basis van de huidige wettelijke regeling:

Maarten heeft een EWR van € 50.000 en voor Maarten is het overgangsrecht van toepassing. Maarten heeft rekening houdend met € 100.000 verwervingskosten en zijn EWR van € 50.000 nog een BEWS van € 50.000 waarvoor nog 25 jaar recht op renteaftrek bestaat en fiscaal de aflossingseis niet geldt. Voor Vera geldt dat alleen renteaftrek kan worden verkregen indien haar schuld voldoet aan de sinds 1 januari 2013 geldende aflossingseis.

Voor Maarten geldt:

–     Van zijn hypotheek van € 75.000 (50% van de totale schuld) wordt slechts € 50.000 aangemerkt als BEWS, daarvoor heeft Maarten 25 jaar recht op renteaftrek.

–     € 25.000 valt in box 3 vanwege zijn EWR (maximale EWS bedraagt[9] € 100.000 – € 50.000 (EWR) = € 50.000).

 Voor Vera geldt:

–     Van haar hypotheek van € 75.000 wordt slechts € 25.000 aangemerkt als EWS. Het aflossingsvrije deel van € 50.000 voldoet niet aan de aflossingseis en valt in box 3.

–     Vera heeft 30 jaar recht op renteaftrek over haar aandeel in de annuïtaire hypotheek van € 25.000.

 

De staatssecretaris stelt in zijn besluit vast dat deze hierboven beschreven standaardvisie niet in alle gevallen tot de gewenste uitkomst zal leiden.[10] Hij geeft hierbij aan dat partners geen afdoende afspraken hebben gemaakt om deze niet gewenste uitkomsten te voorkomen. Hierbij staat de staatssecretaris specifiek stil bij het ontbreken van afspraken over de interne draagplicht.[11]

Voor deze groep wordt het goedgekeurd dat partners op verzoek hun eigenwoningverleden bij helfte verdelen. Vervolgens kan per deelgenoot de eigenwoningschuld worden vastgesteld.

 

Op basis van deze goedkeuring ziet de casus van Maarten en Vera er als volgt uit:

Omdat Maarten en Vera een beroep doen op de goedkeuring gaat het eigenwoningverleden van Maarten voor de helft over op Vera. Het eigenwoningverleden van Maarten bestaat uit een EWR van € 50.000 en het recht op overgangsrecht voor € 100.000 waarvoor nog 25 jaar recht op renteaftrek bestaat. Voor Maarten en Vera geldt dan:

–     Het gehele bedrag van hun hypotheek van € 75.000 per persoon wordt aangemerkt als EWS.

–     De EWR van zowel Maarten als Vera van € 25.000 wordt volledig in mindering gebracht op de verwervingskosten van € 100.000 van zowel Maarten als Vera.

–     Van de hypotheek van € 75.000 per persoon wordt € 50.000 aangemerkt als BEWS. Daarvoor hebben Maarten en Vera beiden nog 25 jaar recht op renteaftrek.

–     De resterende € 25.000 per persoon wordt aangemerkt als EWS en daarvoor geldt voor Maarten en Vera een nieuwe termijn van 360 maanden aflossen en renteaftrek.


Maarten ‘verliest’ € 50.000 overgangsrecht maar raakt daardoor ook € 50.000 renteaftrekverleden kwijt en kan voor dat bedrag weer 360 maanden renteaftrek krijgen. Ook halveert de EWR van Maarten tot € 25.000. Vera ‘krijgt’ een EWR van € 25.000 en een BEWS van € 50.000 waarvoor nog 25 jaar recht op renteaftrek bestaat, maar ‘verliest’ € 50.000 eigenwoningschuld waarvoor nog 360 maanden recht op renteaftrek bestond maar waarvoor wel de aflossingseis zou gelden. Als Maarten en Vera gezamenlijk een beroep doen op de goedkeuring van dit beleidsbesluit wordt de gehele gezamenlijke schuld van € 150.000 aangemerkt als eigenwoningschuld terwijl op basis van de wet van de gezamenlijke schuld van € 150.000 slechts € 75.000 zou worden aangemerkt als eigenwoningschuld.

 

Aan welke voorwaarden ten aanzien van deze goedkeuring dienen Maarten en Vera te voldoen?[12]

  1. De partners kopen de eigen woning aan in een 50%-50%-verhouding en gaan de schuld voor financiering van de woning eveneens in die verhouding aan.
  2. Beide partners doen een beroep op deze goedkeuring door de eigenwoningreserve en de eigenwoningrente op deze manier in de aangifte(n) op te nemen.
  3. Beide partners zijn akkoord met de volgende consequentie: toepassing van de goedkeuring door het zodanig opnemen van de eigenwoningreserve en de eigenwoningrente in de aangifte(-n) geldt ook voor latere jaren. De verdeling bij helfte van het eigenwoningverleden van één of beide partners kan daardoor niet meer worden herzien of teruggedraaid in een later belastingjaar.

Voor situaties waarbij cliënten een andere eigendoms- en schuldverhouding hebben dan 50/50 kunnen partners zich gezamenlijk wenden tot de Belastingdienst. Als zich gelijke knelpunten manifesteren kan er een tegemoetkoming worden verleend.

Door gebruik te maken van dit besluit kunnen Maarten en Vera hun fiscale situatie ‘optimaliseren’. Dit is tijdens de relatie misschien een voor de hand liggende keuze. Toch heb ik een aantal zorgen over het (lichtvaardig) gebruiken van dit besluit. Hieronder mijn signaleringen:

  • Maarten en Vera kiezen ervoor het besluit te gebruiken. Dit levert op korte termijn immers een fiscaal voordeel op. Maarten en Vera gaan na een aantal jaren uit elkaar. De woning wordt voor € 200.000 verkocht. De resterende hypothecaire geldlening (EWS) bedraagt op dat moment € 100.000. Maarten en Vera realiseren dan ieder een eigenwoningreserve van € 50.000. Vera zal echter in verband met een vergoedingsrecht, € 25.000 van haar verkoopopbrengst aan Maarten moeten voldoen. Hierdoor sluit haar EWR niet meer aan op haar daadwerkelijke financiële situatie. Als zij een andere woning wil aankopen zal ze deze  € 25.000 waarschijnlijk moeten financieren. Dit deel van de lening kwalificeert niet als eigenwoningschuld. Hierdoor heeft zij minder fiscaal voordeel. Ook zal haar maximale hypotheek op basis van haar inkomen lager uitvallen. Dit knelpunt manifesteert zich overigens ook als Vera de woning van Maarten wil overnemen in verband met een scheiding.
  • Maarten heeft een lange periode van renteaftrek gebruikt waarna hij samen met Vera (die nog geen eigenwoningverleden heeft) een woning koopt. Hierbij kiezen zij dan voor de ‘fiscale optimalisatie’ op basis van het besluit. Bij een eventuele scheiding heeft Vera – die een schoon verleden had – ineens een lang aftrekverleden hetgeen haar fiscale positie verslechtert. Andersom kan het ook voorkomen dat Maarten bij een scheiding een deel van zijn overgangsrecht verliest. Dit probleem is op dit moment al aanwezig bij mensen die trouwen waarbij de woning en schuld onderdeel worden van een huwelijksgemeenschap. Bij samenwoners is het maar de vraag of zij hun fiscale positie in tegenstelling tot hun gescheiden vermogensrechtelijke positie  ‘gezamenlijk’ willen maken.
  • Kan het zijn dat partners mogelijk onbewust het besluit toepassen? De ervaring leert dat veel belastingplichtigen de aangifte inkomstenbelasting als zeer complex ervaren. Ik zie in mijn praktijk vaak situaties waarbij partners ongeacht de eigendomsverhouding en interne draagplicht alles 50%/50% toerekenen. Dit zou in de praktijk betekenen dat zij zich beroepen op dit besluit. Het is de vraag of het invullen van een aangifte dergelijke grote niet terug te draaien gevolgen moet hebben.

 

Conclusie

Het is positief dat de staatssecretaris met dit besluit de belastingplichtigen tegemoet komt met de mogelijkheid hun fiscale situatie te optimaliseren. In mijn ogen repareert de staatssecretaris hiermee problemen die zijn ontstaan door gebrekkige vastlegging van afspraken tussen partners. In de praktijk zal onderzocht moeten worden of het voor cliënten verstandig is gebruik te maken van dit besluit. Het standaard gebruiken van het besluit in de geschetste situatie is in mijn ogen zeer onverantwoord. Op het moment dat u als adviseur cliënten informeert over het bestaan van dit besluit is het wenselijk dat zij over alle informatie kunnen beschikken (gevolgen en de voor- en nadelen hiervan). Op basis hiervan kunnen zij goed geïnformeerd en weloverwogen een keuze maken ten aanzien van het eventueel gebruiken van dit besluit (informed consent). Dit kan toekomstige teleurstellingen bij uw cliënten voorkomen. Ook beperkt u hiermee mogelijke aansprakelijkheid die voortvloeit uit uw advisering.

Cliënten dienen gewezen te worden op het risico van ‘per ongeluk’ toepassen van het besluit door 50%/50% toerekening van de eigenwoningrente en de eigenwoningreserve in de IB aangifte.

In eerdere publicaties[13] heb ik stilgestaan bij het belang van het vastleggen van de onderlinge interne draagplicht van de gezamenlijk aangegane hypothecaire geldlening. Hierdoor kunt u zonder toepassing van dit besluit de geschetste knelpunten in veel gevallen wegnemen. Het belang van het vastleggen van de onderlinge verhoudingen inzake de draagplicht blijft in mijn ogen daarom essentieel. Hierdoor helpt u cliënten bij het vastleggen van hun onderlinge civiele verhoudingen en verwachtingen. Daarnaast optimaliseert u de fiscale positie van uw cliënten. Uw cliënten worden dan niet geconfronteerd met de nadelen van het gebruiken van het besluit.

 

Auteur:

Drs. J.O. Horsthuis MFP RFEA (Jasper), eigenaar van de ScheidingsDeskundige

De ScheidingsDeskundige is een kenniscentrum gespecialiseerd in het scheidingsproces. Wij verzorgen opleidingen en ondersteunen professionals bij hun beroepspraktijk.

 

Publicatiedatum: 31 januari 2018

[1] Staatscourant 2018 nr. 5946, 30 januari 2018

[2] Kamerbrief 14 april 2017 Staatssecretaris Wiebes

[3] Gemeenschap tussen samenwoners of gehuwden met huwelijkse voorwaarden zonder beperkte gemeenschap van woning

[4] Knelpunten manifesteren zich ook bij partners die na 1 januari 2018 gehuwd zijn onder de Wet Beperking gemeenschap van goederen.

[5] Gebaseerd op Staatscourant 2018 nr. 5946, 30 januari 2018, pagina 2

[6] Art. 10bis. 1 Wet IB 2001

[7] HR 12 juni 1987, NJ 1988, 150, HR 21 april 2006, NJ 2007, 395, HR 10 januari 1992, NJ 1992, 651

[8] Hier doet de staatssecretaris de aanname dat Maarten en Vera geen specifieke afspraken hebben gemaakt inzake de interne draagplicht.

[9] Art. 3.119a Wet IB 2001

[10] Kamerstukken II 2016/17, 33 987, nr. 29

[11] Draagplicht gaat over de vraag in welke onderlinge verhouding de schuld partijen aangaat.

[12] De goedkeuring geldt met ingang van het belastingjaar 2013

[13] Staatssecretaris te kort door de bocht bij het vaststellen van vergoedingsrechten (22 mei 2017) en Duidelijkheid vaststellen aandeel eigenwoningschuld! (19 september 2017)


< Vorige bericht Volgende bericht >

© Copyright - De Scheidingsdeskundige