Interne draagplicht, een verplicht onderdeel van hypotheekadvies!

Geplaatst op 7 maart 2020

Tijdens relaties gaan partners samen schulden aan. Hierdoor worden partners beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de betreffende schuld. Het kan gaan om schulden voor een woning of schulden voor consumptieve doeleinden. Als de relatie door een scheiding tot een einde komt, kunnen partners andere verwachtingen hebben over wie de schuld na de ontbinding van de relatie moet dragen. Dat gaat derhalve niet over de hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de geldverstrekker maar over de interne draagplicht. Op het moment dat een schuld tot een gemeenschap van goederen of een beperkte gemeenschap behoort, hebben beide deelgenoten na ontbinding van deze gemeenschap op basis van de hoofdregel een gelijk aandeel in deze schuld.[1] Bij zogenaamde eenvoudige gemeenschappen[2] is het vaststellen van de interne draagplicht voor de gezamenlijk aangegane schuld ingewikkelder. De interne draagplicht hangt af van wat partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend intern met elkaar zijn overeengekomen, met inachtneming van de Haviltex-formule.[3] Met andere woorden, de vraag van wie de schuld is, wordt beantwoord door te kijken naar wat partners daarover zijn overeengekomen. Zijn zij niets overeengekomen dan wordt gekeken naar wat zij redelijkerwijs, afhankelijk van de omstandigheden, mochten verwachten.

Bij veel geldleningen wordt verzuimd een overeenkomst op te stellen over de interne draagplicht. Hierdoor komen cliënten in een juridisch grijs gebied terecht. Dit leidt in de scheidingspraktijk soms tot grote problemen. De volgende casus welke is gebaseerd op een uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch[4] illustreert dit.

Els en Bert zijn gehuwd onder huwelijksvoorwaarden. Zij gaan samen een schuld van € 60.000 aan voor de verbouwing van de woning van Bert. Deze verbouwing is bedoeld om de woning aantrekkelijker te maken voor de verkoop. Bert verkoopt uiteindelijk zijn woning en lost met de verkoopopbrengst de schuld van € 60.000 af. Hij stelt dat hij een vergoedingsrecht heeft op Vera van € 30.000. Hij stelt dat hij een gezamenlijke schuld afgelost. Els vindt dit zeer onredelijk. Ze komen er niet uit en komen terecht in een juridische procedure.

Het hof kent de vordering van Bert ad. € 30.000 vreemd genoeg toe.

Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is, dat zij gezamenlijk een schuld van € 60.000 zijn aangegaan. Ook staat niet ter discussie dat deze schuld door de man is afgelost bij de verkoop van zijn woning. Het hof begrijpt het standpunt van de vrouw dat van een vergoedingsrecht geen sprake kan zijn omdat de man geheel draagplichtig moet worden geacht voor de schuld. De gelden zijn immers gebruikt voor zijn woning. De vrouw stelt in deze zaak echter niet dat zij uitdrukkelijk of stilzwijgend met de man heeft afgesproken dat de schuld (grotendeels) voor zijn rekening zou komen. De enkele omstandigheid waarop de vrouw zich wél beroept, namelijk dat de geleende gelden (volledig of grotendeels) ten goede zijn gekomen aan man, maakt dan nog niet dat de man volledig draagplichtig is voor de schuld. Het hof weegt hierbij mee dat de man en de vrouw ten tijde van het aangaan van de schuld echtgenoten waren die elkaar ingevolge art. 1:81 BW getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd zijn en die daarom verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen. Dat dáárvan bij de lening van € 60.000 geen sprake was, heeft de vrouw niet gesteld en dat is ook niet gebleken. Dit had temeer op de weg van de vrouw gelegen nu niet duidelijk is waarom zij – niettegenstaande het huwelijksvermogensregime (een zogenoemde koude uitsluiting) – überhaupt samen met de man de lening van € 60.000 is aangegaan. Derhalve moeten beide partijen worden geacht voor gelijke delen in de schuld bij te dragen. Nu beide partijen voor gelijke delen draagplichtig zijn ter zake van het krediet van € 60.000 en verder niet in geschil is dat de man dit gehele bedrag heeft afgelost, brengt dat met zich mee dat ingevolge art. 5 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden aan de man een vergoedingsrecht toe komt van € 30.000.

 

Conclusie en belang voor de praktijk

Het zal duidelijk zijn dat deze uitkomst in ieder geval niet in lijn is met hetgeen de vrouw heeft verwacht. Wat je als lezer ook vindt van deze uitspraak, het bevestigt de noodzaak van duidelijke afspraken op het moment dat er gezamenlijk schulden worden aangegaan. Hierdoor had deze langdurige juridische procedure voorkomen kunnen worden. Het adviseren en of bemiddelen bij een geldlening zonder daarbij een draagplichtovereenkomst op te stellen is met de kennis van vandaag op zijn minst onverstandig te noemen.

 

Cursus “Draagplichtovereenkomst en de rol van de financieel adviseur”

Wij organiseren op diverse locaties door het land bijeenkomsten over dit belangrijke thema. Eerdere bijeenkomsten zijn gemiddeld met een 8.6 geëvalueerd! Klik op de onderstaande link voor meer informatie:

Cursus draagplichtovereenkomst
[1] Art. 1:100 BW

[2] Gemeenschap tussen samenwoners of gehuwden met huwelijkse voorwaarden zonder beperkte gemeenschap van woning (art. 3:166 BW)

[3] HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9539

[4] Gebaseerd op Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 september 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4157


< Vorige bericht

© Copyright - De Scheidingsdeskundige